1A. Het Oude Testament is feitelijk onhistorisch

Voor de meeste radicale Schriftcritici bevat het Oude Testament geen accurate geschiedenis van Israël. Het doet weliswaar verslag van losstaande gebeurtenissen die op zich als historisch te beschouwen zijn, maar in zijn totaliteit geeft het een onjuist beeld van de chronologische geschiedenis van Israël. Vanuit deze veronderstelling hebben de critici, zoals te zien is in bijgaand schema, een eigen versie van de vroege Hebreeuwse geschiedenis opgesteld, die het Oude Testament op veel belangrijke punten tegenspreekt.

In een verhandeling over de kritische benadering van Ezechiël wijst Walther Eichrodt op de problemen van het opzetten van theorieën die ingaan tegen de feitelijke tekst:

Deze onbevredigende onstabiliteit in de theorieën is niet slechts een kwestie van toeval; het is het noodzakelijke uitvloeisel van alle problemen die men tegenkomt wanneer men een zo fundamentele theorie tracht uit te werken op basis van een tekst die precies het tegenovergestelde beweert. Stukjes informatie over tijdperken en geografische locaties moeten, wanneer ze niet in de theorie passen, dan weer aanvaard, dan weer als twijfelachtig opzij geschoven worden, zonder dat er enige betrouwbare methodologische basis is voor deze conclusies. We signaleren ook de neiging om die elementen uit de overlevering die moeilijk in de interpretatie zijn in te passen, ofwel een andere betekenis toe te kennen, of ze door middel van kritische methodes te elimineren. (Eichrodt, E, 8-9)

Het volgende schema vergelijkt de eigen geschiedschrijving van de Hebreeën (in hoofdlijnen) met die van de moderne Schriftcritici. Dit schema geeft alleen de algemene trend binnen de radicale Schriftkritiek; niet alle critici denken er hetzelfde over. Tegenwoordig is deze gedachte echter wel prominent in de meeste kringen van de vernietigende Schriftkritiek. In het voorbijgaan moet opgemerkt worden dat Wellhausens reconstructie van de vroege Hebreeuwse geschiedenis nog radicaler was dan het gezichtspunt dat hier wordt weergegeven.


Het oudtestamentische verslag


Het gezichtspunt van de documentaire hypothese

1445 – 1405 v. Chr.

Mozes geeft de Wet, en schrijft Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium

1400 v. Chr.

Verbondswetgeving (Materiaal in Exodus 20-23)

1000 Davids regering 1000 Davids regering

960

Salomo’s tempel

960

Salomo’s tempel



950

J-document



930

Uiteenvallen van het koninkrijk

850 (?)

Obadja – eerste schrijvende profeet

850

E-document

850-550

Gouden eeuw van de profeten

750

Amos – eerste schrijvende profeet



750-550

Gouden eeuw van de profeten

722

Einde van het Noordelijke rijk

722

Einde van het Noordelijke rijk (Israël)



622

Deuteronomische wetten

586

Val van Jeruzalem; Ballingschap

586

Val van Jeruzalem; Ballingschap



575

Heiligheidswetten (Leviticus 17-20)



550

Deuteronomische kring redigeert Deuteronomium – 2Koningen

539

Herstel van Israël

539

Herstel van Israël

450

Ezra’s hervorming van de tweede Joodse staat op basis van de Wet (Thora)

450

P-document geschreven voor de stichting van de Tweede Joodse staat



450-400

P-kring compileert Tetrateuch (Genesis-Numeri); Deuteronomium wordt later toegevoegd om de Pentateuch te vormen


We zien dat de Bijbelse volgorde – de Wet vroeg gegeven en gevolgd door de profeten – precies omgekeerd is, want volgens de critici ontstond de Wet, bestaande uit de Deuteronomische wetten, de Heiligheidswetten en de Priestercodex (het leeuwendeel van het wetgevingsmateriaal in de Pentateuch) pas lang na de profeten. En toch blijkt duidelijk uit de tekst dat veel van de profeten zich beriepen op een verzameling wetten die al in hun tijd bestond en die bindend was voor het volk. Amos verwijst zelfs naar deze wet als “de Thora [‘Wet’] van Jahwe” (Amos 2:4).

De critici creëren dus een cruciale en onverzoenlijke tegenspraak in zowel de chronologie als de theologische ontwikkeling van Israëls geschiedenis, waardoor we blijven zitten met een onoverbrugbare kloof tussen enerzijds een gezaghebbend Woord van God, en anderzijds wat wel eens is aangeduid als “een haveloze mengeling van halfmythische en historisch onbetrouwbare literaire fragmenten”, en fundamenteler, met een enorme spanning tussen de Schriftuurlijke afschildering van Israëls geschiedenis en de reconstructie van de radicale critici.

We overdrijven niet wanneer we zeggen dat het Oude Testament voor de radicalere kritische school in hoofdlijnen onhistorisch is. Dat wil niet zeggen dat er geen sprake is van een gedeeltelijk – en zoals sommigen zouden erkennen, aanzienlijk – historisch substraat. Niet iedereen gaat wellicht zo ver als Stade, die, aan het ene uiteinde van de geschiedenis, betwijfelt of Israël als volk ooit wel in Egypte geweest is, of als Kosters, die, aan het andere uiteinde, de terugkeer uit de ballingschap in Babel onder Zerubbabel ontkent. Maar de overtuiging is dat de boeken op zich geen werkelijke geschiedschrijving zijn, zeker tot de dagen van de koningen, en zelfs daarna nog maar zeer gedeeltelijk. (Orr, POT, 56)

Dit impliceert dat het duidelijke, door het Oude Testament geschilderde beeld van de ontwikkeling van een samenhangend en eenduidig goddelijk plan (het teleologische element) in Israëls geschiedenis, beginnend met Adam in Genesis, en uitlopend op de beloofde Messias van wie de profeten getuigden, bedacht moet zijn.

Kautzsch, van de universiteit van Halle, schrijft in zijn toespraak “The Abiding Value of the Old Testament”: “De blijvende waarde van het Oude Testament ligt bovenal hierin, dat het met absolute zekerheid borg staat voor het feit en de ontvouwing van een goddelijk plan en een weg tot verlossing, die hun voltooiing en vervulling gevonden hebben in het nieuwe verbond, in de Persoon en het werk van Jezus Christus.” (Orr, POT, 61)

Orr zegt:

Het antwoord van de kritiek die zich probeert te ontdoen van het teleologische element in de geschiedenis, is dat de Bijbelse weergave onecht en kunstmatig is: geen ontwikkeling in overeenstemming met de feitelijke geschiedenis, maar een denkbeeldige ontwikkeling, het resultaat van een inlezen van de ideeën van het profetische tijdperk in de primitieve legendes. De historische overlevering krijgt een schijn van ontwikkeling opgelegd door de wijze waarop het materiaal gemanipuleerd is. Aanvaard, zegt men, de kritische ordening – haar analyse en indeling van documenten – en de illusie van teleologie in de oudtestamentische verhalen verdwijnt; in ieder geval zo ver dat er geen buitengewone oorzaak voor hoeft te worden aangevoerd. Met de woorden van professor Robertson: “Wat zij beweren is dat de ordening van de Bijbelschrijvers pas later ingebracht is, en door een proces van manipulatie van oudere geschriften en een systematische afschildering van vroegere gebeurtenissen in het licht van veel latere tijden, de schijn gekregen heeft van een oorspronkelijke en onvervalste ontwikkeling. (Orr, POT, 61-62)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate