Het is duidelijk na het lezen van wat de Hebreeën in het Oude Testament zelf omschrijven als hun geschiedenis en godsdienst, dat het hun bedoeling was dat lezers hun verslag als werkelijk historisch zouden opvatten. De volgorde van Mozes die de wet geeft en daarna de profeten die het volk oordeelden door terug te grijpen op de Mozaïsche wet was bedoeld als een verslag van wat er werkelijk gebeurd was – en de exacte volgorde waarin het plaatsgevonden had.
Unger zegt iets dergelijks: “Als Deuteronomium niet werd uitgegeven voor 621 v. Chr., maar toch belijdt uit Mozes’ mond en pen te komen, is het niet te zuiveren van de verdenking van vrome vervalsing. Hetzelfde kan gezegd worden van de Priestercodex, die pas tegen 500 v. Chr. voltooid was, maar toch herhaaldelijk betuigt rechtstreeks door God te zijn voorgeschreven aan Mozes. Onder deze omstandigheden kan de oprechtheid en integriteit van de redacteuren nauwelijks onaangevochten blijven.” (Unger, IGOT, 231)
Wie de oudtestamentische boeken ook schreef en canoniseerde, hij wilde dat we zouden denken dat de geschiedenis die erin afgeschilderd werd inderdaad de ware geschiedenis van Israël was. Als de aanhangers van de documentaire hypothese gelijk hebben, hebben de historici van het Oude Testament ongelijk; we lijken op geen enkele redelijke manier de implicaties van een “verdichte” geschiedenis te kunnen omzeilen.



