Volgens de critici wees het gebruik van de verschillende Godsnamen [d.i.: Jahwe (Hebreeuwse en Nederlandse uitspraak) of Jehova (alternatieve Nederlandse uitspraak) en Elohim] op het bestaan van meer dan één auteur. Dit is wat Astruc aanvankelijk tot de conclusie bracht dat er in de Pentateuch verschillende bronnen verweven en gecombineerd zijn. Let op zijn uitspraak in Conjectures, geciteerd door The Encyclopedia of Religion and Ethics:
In de Hebreeuwse tekst van Genesis wordt God aangeduid met twee verschillende namen. De eerste is Elohim, want hoewel deze naam in het Hebreeuws ook andere betekenissen heeft, wordt hij vooral toegepast op de Allerhoogste. De andere is Jahwe, hwhy, de grote naam van God die uitdrukking geeft aan zijn wezen. Nu zou men kunnen veronderstellen dat de twee namen willekeurig gebruikt zouden worden als synoniemen, puur om wat afwisseling in stijl te bereiken. Dit is echter niet het geval. De namen worden nooit door elkaar gebruikt. Er zijn hele hoofdstukken, of grote delen van hoofdstukken, waarin God altijd Elohim genoemd wordt, en andere, minstens even talrijk, waarin hij altijd Jahwe genoemd wordt. Als Mozes de schrijver van Genesis was, zouden we deze vreemde en onelegante variatie aan hem moeten toeschrijven. Maar kunnen we ons een dergelijke onachtzaamheid in de compositie van een boek dat zo kort is als Genesis indenken? Moeten we Mozes beschuldigen van een fout die geen enkele andere schrijver ooit gemaakt heeft? Is het niet natuurlijker om deze variatie te verklaren door te veronderstellen dat Genesis is samengesteld uit twee of drie memoires, waarvan de schrijvers God verschillende namen gaven, de een die van Elohim, en een ander die van Jahwe of Jehova Elohim? (ERE, 315)
Hoewel men dikwijls beweert dat dit criterium niet langer gehanteerd wordt door de critici, laat de volgende opmerking van A. Bentzen zien hoeveel belang moderne critici er nog steeds aan hechten:
Willen we onderscheid maken tussen de overleveringen moeten we letten op dergelijke “constanten”. De eerste “constante” die werd opgemerkt was de opvallende afwisseling in het gebruik van de Godsnamen. De afwisseling in het gebruik van de Godsnamen is echter meer dan een simpele linguïstische constante. Het is een inhoudelijke constante. We weten dat het gebruik ervan, in elk geval in Genesis en in het begin van Exodus volgens een vastomlijnd plan verloopt. … Zodoende kan het niet anders dan dat we in de gedeelten van de Pentateuch vanaf Genesis 1 tot Exodus 6 het recht hebben om het criterium van de Godsnamen te gebruiken voor het onderscheiden van diverse overleveringen. (Bentzen, IOT, deel 2, 27-28)



