Elke Godsnaam had een speciale betekenis, en die waren niet noodzakelijkerwijs synoniem. De schrijver gebruikte Jahwe, Elohim of Jehova Elohim naar gelang de context. Er ligt dan ook een absoluut doel achter het gebruik van de Godsnamen, en geen willekeurige keus.
In de twaalfde eeuw schreef rabbi Jehuda Halevi een boek, getiteld Cosri, waarin hij de etymologie van elk van de Godsnamen verklaarde. Zijn conclusies worden hier geparafraseerd door E. W. Hengstenberg, in het midden van de negentiende eeuw professor in de theologie aan de universiteit van Berlijn:
[Elohim] is de meest algemene naam van de Godheid. Deze onderscheidt Hem enkel in zijn almacht, zonder verwijzing naar zijn persoonlijke of morele kenmerken – in al zijn betrekkingen tot de mens – ofwel wat betreft de door Hem bewezen goedgunstigheden, ofwel de door Hem gestelde eisen. Waar God zichzelf geopenbaard heeft en werkelijk bekend is, wordt aan Elohim een naam toegevoegd. Dit is de naam Jehova, heel speciaal voor de mensen die zijn openbaring en zijn verbond ontvingen. …De naam Jehova is onbegrijpelijk voor iedereen die niet bekend is met die ontwikkeling van de goddelijke essentie die hiermee wordt aangeduid, terwijl Elohim, dat Hem onderscheidt als God in die aspecten die alle mensen bekend zijn, voor iedereen begrijpelijk is. … De naam Jehova is het nomen proprium [eigennaam] van God, en als de naam die de allerdiepste kern van zijn wezen tot uitdrukking brengt, is hij slechts begrijpelijk waar God tevoorschijn gekomen is en de schuilhoeken van zijn hart heeft blootgelegd en zich aan zijn schepselen heeft geopenbaard, zodat Hij zich hier – in plaats van als een duister, vaag wezen, van wie alleen bekend is dat Hij machtig is, dat Hij immens is – vertoont als de meest persoonlijke van alle personen, de meest karaktervolle van alle karakters. (Hengstenberg, DGP, 216-217)
De Joodse wetenschapper Umberto Cassuto, docent aan de Hebrew University, vervolgt:
Let eerst op het karakter van de twee Namen. Ze zijn niet van hetzelfde soort. De aanduiding Elohim was oorspronkelijk een soortnaam, een nomen appellativum, die zowel werd toegepast op de Ene God van Israël als op de heidense goden (net als de naam El). Anderzijds is de naam JHWH een eigennaam, de specifieke naam van Israëls God, de God die de Israëlieten erkenden als de Heerser over het heelal en de godheid die hen verkozen had als zijn volk. Bij wijze van illustratie geef ik hier een parallel. Een bepaalde stad kan worden aangeduid met Jeruzalem of alleen met stad. De appellativum stad deelt ze met alle steden; de naam Jeruzalem hoort bij haar alleen. Toen de voorouders van het Joodse volk zich realiseerden dat er maar Een God is: alleen “JHWH, Hij is Elohim” (1Koningen 18:39), begon de soortnaam Elohim voor hen ook de betekenis van een eigennaam te krijgen, en werd hij synoniem met de naam JHWH. Als Jeruzalem de enige stad in de wereld van de Hebreeuwssprekenden was geweest, zou het woord stad natuurlijk ook een eigennaam geworden zijn, synoniem met Jeruzalem. (Cassuto, DH, 18)
Cassuto geeft onderstaande regels als verklaring voor het gebruik van de Godsnamen:
| JHWH | ELOHIM |
| (1) “Het koos de naam JHWH waar de tekst het Israëlitische beeld van God weergeeft, dat belichaamd wordt in de schildering van JHWH en uitgedrukt wordt in de kenmerken die gewoonlijk door Israël aan Hem worden toegeschreven, in het bijzonder in zijn morele karakter.” | (1) “Het gaf de voorkeur aan de naam Elohim wanneer het gedeelte het abstracte idee van de godheid weerspiegelt, dat courant is in internationale kringen van ‘wijze mannen’ – God opgevat als de Schepper van het fysieke heelal, als de Heerser over de natuur, als de Bron van het leven.” |
| (2) JHWH “wordt gebruikt wanneer er uitdrukking gegeven wordt aan het rechtstreekse intuïtieve idee van God, dat kenmerkend is voor het simpele geloof van de massa of de ijver van de profetische geest.” | (2) “De naam Elohim wanneer het idee van denkers die mediteren over de verheven problemen verbonden met het bestaan van de wereld en de mensheid moet worden overgebracht.” |
| (3) “De naam JHWH komt voor wanneer de context de goddelijke kenmerken in relatief heldere, en als het ware tastbare termen afschildert, en een duidelijk beeld overbrengt. | (3) “Elohim, wanneer de schildering algemener is, oppervlakkig en vaag, en een duistere indruk achterlaat.” |
| (4) JHWH “wordt aangetroffen wanneer de Thora in de ziel van de lezer of de luisteraar het gevoel van de verhevenheid van de goddelijke tegenwoordigheid in al zijn majesteit en glorie wil overbrengen.” | (4) “Elohim, wanneer het God op een neutrale manier wil vermelden of wanneer de uitdrukking of gedachte niet uit eerbied direct te associëren valt met de meest heilige naam.” |
| (5) “De naam JHWH wordt gebruikt wanneer God aan ons wordt voorgesteld in zijn persoonlijke karakter en in directe betrekking tot mensen of de natuur.” | (5) Elohim, wanneer er naar de godheid verwezen wordt als een transcendent wezen dat volkomen buiten en boven het materiële universum bestaat.” |
| (6) JHWH “verschijnt wanneer er verwezen wordt naar de God van Israël met betrekking tot zijn volk of hun voorouders.” | (6) “Elohim, wanneer er over Hem gesproken wordt met betrekking tot iemand die geen lid van het uitverkoren volk is.” |
| (7) “JHWH wordt genoemd wanneer het thema Israëls traditie is.” | (7) “Elohim, wanneer het onderwerp met de universele traditie te maken heeft.” |
Het komt natuurlijk wel eens voor dat twee tegengestelde regels tegelijkertijd van toepassing zijn en met elkaar in conflict komen. Dan krijgt, volgens de eisen van de logica, de regel die het meest relevant is voor de primaire bedoeling van het desbetreffende gedeelte voorrang. (Cassuto, DH, 30-41)
Deze regels zijn op verschillende manieren van toepassing op verschillende literaire vormen:
PROFETISCHE TEKSTEN. De profeten van het Oude Testament gebruikten consequent de Godsnaam JHWH in plaats van Elohim. Jona is een uitzondering. Hij gebruikt diverse keren de titel Elohim voor de God van Israël. Maar deze uitzondering bevestigt slechts de regel, want Jona hoort feitelijk bij de verhalende literatuur. Jesaja is een andere uitzondering: hij vervangt Jahwe niet door Elohim, maar door El, een naam voor God die oorspronkelijk een soortnaam was. (Cassuto, DH, 20)
WETSTEKSTEN. Jahwe is de enige eigennaam van God die in de wetsteksten van de Pentateuch en Ezechiël gebruikt wordt. (Cassuto, DH, 20)
WIJSHEIDSTEKSTEN. Wijsheidsliteratuur is uniek wat haar universele literaire stijl betreft. Overal in het oude Oosten zijn soortgelijke geschriften ontdekt. Onderzoek naar overeenkomstige literatuur onder Israëls buurlanden zal dan ook heel nuttig blijken te zijn.
Echter, zodra we deze boeken beginnen te bestuderen, “worden we getroffen door een verbazingwekkend verschijnsel. De wijsheidsboeken van het oude Oosten, ongeacht uit welk volk ze voortkomen of in welke taal ze geschreven zijn, duiden de godheid gewoonlijk aan met een appellativum in plaats van met de eigennamen van de diverse godheden.” (Cassuto, DH, 21)
VERHALENDE TEKSTEN. In verhalende literatuur, zoals die overal in de Pentateuch, de vroege profeten, Job, Jona, enzovoort, wordt aangetroffen, wordt regelmatig zowel Jahwe als Elohim gebruikt, en dicht bij elkaar. (Cassuto, DH, 21)
TYPISCH JOODSE PASSAGES. Umberto Cassuto, voormalig professor aan de Hebrew University, zegt in zijn toelichting bij het gebruik van “Jahwe”: “In die categorieën die een typisch Israëlitisch karakter hebben, komt alleen het Tetragrammaton [JHWH] voor, de nationale naam van God, die uitdrukking geeft aan het persoonlijke concept van de Godheid, exclusief voor Israël.” (Cassuto, DH, 23)
OUD-HEBREEUWSE TEKSTEN. Oud-Hebreeuwse brieven, gevonden in Lachis, illustreren het gebruik van Jahwe in het dagelijkse leven. Jahwe wordt niet alleen in begroetingen en eden gebruikt, maar op alle plaatsen in de brieven. Er staat nergens Elohim. We zien een parallel in het consequente gebruik van Jahwe bij begroetingen in de Schrift (Rechters 6:12; Psalm 129:8; Ruth 2:4) en in het rabbijnse dictum dat het gebruik van Jahwe bij onderlinge begroetingen vereiste.
MODERN HEBREEUWSE TEKSTEN. Zelfs in modern Hebreeuws, zegt Cassuto, “zijn we precies in onze woordkeus: we gebruiken het Tetragrammaton als we het traditionele Joodse beeld van de godheid in gedachten hebben, en de naam Elohim wanneer we het filosofische of universele concept van de godheid willen benoemen. “ (Cassuto, DH, 30)
Hier volgt een korte toepassing van deze regels op Genesis: In Genesis 1 verschijnt God als de Schepper van het fysieke heelal en als Heer van de wereld, die heerst over alles. Alles wat bestaat, doet dat enkel vanwege zijn fiat, zonder dat er sprake is van direct contact tussen Hem en de natuur. Hier zijn dus de regels van toepassing die Elohim vereisen. (Cassuto, DH, 32)
In het verhaal van de hof van Eden vinden we God als moreel heerser, omdat Hij de mens bepaalde regels oplegt. Bovendien wordt er een persoonlijke kant van God getoond waar Hij direct in contact treedt met de mens. Vandaar dat Jahwe hier, zoals verwacht, goed past. De enige plek waar de naam Elohim gebruikt wordt, is wanneer de slang spreekt en wanneer de vrouw tot de slang spreekt. De naam Jahwe wordt vermeden uit eerbied voor de nationale God van Israël. (Cassuto, DH, 33)
In hetzelfde gedeelte vinden we een combinatie van Jahwe met Elohim, omdat de Schrift Elohim nu gelijk wil stellen aan Jahwe: “Met andere woorden, dat de God van de zedelijke wereld niemand anders is dan de God van de fysieke wereld, dat de God van Israël de God van het hele universum is, dat de namen Jahwe en Elohim alleen maar wijzen op twee verschillende aspecten van zijn activiteit, of op twee verschillende manieren waarop Hij zich openbaart aan de mensenkinderen.” (Cassuto, DH, 33). Dit verklaart het dubbele gebruik. In de volgende hoofdstukken worden de namen individueel gebruikt, naar aanleiding van de context.
Cassuto verklaart:
In het verhaal van de verdeling van de aarde (11:1-9) verschijnt JHWH. De reden is duidelijk: in dit verhaal ligt alleen de locatie van het gebeuren buiten Israël; het verhaal zelf is volkomen Israëlisch van karakter, en het bevat geen jota aan buitenlands materiaal. Anders dan bij het verhaal van de schepping en de zondvloed staat er geen kosmopolitische overlevering achter die de basis vormt voor de weergave ervan in de Thora. In tegendeel, we vinden hier de Israëlitische geest, in absolute tegenstelling tot de houding en de aspiraties van de heidense volken die de wereld overheersen. Zodoende wordt het Israëlitische concept van de verhouding tussen de mens en God overgebracht door de Israëlitische naam van de Godheid. (Cassuto, DH, 37)
In hoofdstuk 12 van Genesis begint het verhaal van Abraham. Het lijkt gepast dat de Israëlitische naam voor de godheid gebruikt wordt.
Archer heeft dit toegepast op de beginhoofdstukken van Genesis. Een zorgvuldige studie naar het gebruik van Jahwe en Elohim in het boek Genesis zal onthullen welk doel de schrijver in gedachten had. Elohim (wat mogelijk is afgeleid van een wortel die “machtig”, “krachtig”, of “als eerste/voorste” betekent) verwijst naar God als de almachtige Schepper en Heer van het heelal. Elohim is dus passend voor Genesis 1, omdat God hier de rol van de almachtige schepper heeft, terwijl Jahwe de naam van God in zijn verbondsbetrekking is. Vandaar dat in Genesis 2 bijna alleen Jahwe gebruikt wordt, omdat God hier omgaat met Adam en Eva in een verbondsrelatie. In Genesis 3, wanneer Satan verschijnt, verandert de naam van God weer in Elohim, omdat God op geen enkele manier in een verbondsrelatie staat met Satan. Dus zowel de slang als Eva verwijzen naar Hem als Elohim. De naam verandert weer in Jehova wanneer Hij Adam roept (3:9) en Eva berispt (3:13), en het is de verbondsgod die de vloek op de slang legt (3:14). (Archer, SOTI, 112)
John H. Raven redeneert op een vergelijkbare manier:
Dit argument negeert de etymologie van de namen van God en ziet ze als inwisselbaar, louter als een zaak van gewoonte. De critici beweren niet dat J onbekend was met de naam Elohim, of P en E met de naam Jehova, maar dat ze elk aan één van deze namen de voorkeur gaven. In dat geval blijft de vraag echter: waarom gaf J de voorkeur aan de naam Jehova, en prefereerden E en P de naam Elohim? Op deze belangrijke vraag geeft de splitsingshypothese geen bevredigend antwoord. Als de Pentateuch echter het werk van één auteur is, is het gebruik van deze namen afdoende duidelijk. Het is precies wat de zogenaamde kenmerken van P, J, en E vereisen. P wordt als kil, formeel, systematisch, logisch gezien, maar het is precies in dergelijke gedeelten dat we de naam Elohim zouden verwachten, de algemene naam voor God, de naam die geen specifiek verband heeft met Israël, maar veelvuldig gebruikt wordt in verband met de godheden van de heidenen. J daarentegen wordt naïef, antropomorfisch in zijn beeld van God genoemd, maar deze blijken van godsdienstijver zouden ons ertoe brengen de eigen, nationale naam van God te verwachten, de naam die de nadruk legde op zijn verbondsrelatie met Israël. (Raven, OTI, 118-119)
Zelfs Kuenen, een van de grondleggers van de klassieke documentaire hypothese, erkende de twijfelachtigheid van dit criterium: “Het oorspronkelijke onderscheid tussen Jahwe en Elohim verklaart dikwijls de keuze voor het gebruik van de ene aanduiding boven de andere.” (Kuenen, HCIOCH, 56)
“De geschiedenis van het kritische onderzoek”, vervolgt Kuenen, “heeft aangetoond dat er veel te veel belang is toegekend aan de overeenstemming in het gebruik van de Godsnamen. … Een waarschuwing tegen een overdreven benadrukking van dit ene verschijnsel is dan ook op haar plaats.“ (Kuenen, HCIOCH, 61)
Meer recent heeft Engnell, een aanhanger van de theorie van de mondelinge overlevering, beweerd dat bronnenverdeling op basis van verschillend gebruik van de Godsnaam geen enkele rechtvaardiging heeft (Svenskt Bibliskt Uppslagsverk, ii). North citeert hem:
In zoverre er werkelijk een bepaalde “constante” afwisseling in de Godsnamen wordt aangetroffen, toont een nader onderzoek aan dat deze niet berust op afwisseling in documenten, maar op een welbewust stilistisch gebruik van de overleveraar, samenhangend met het feit dat de verschillende Godsnamen verschillende ideologische associaties hebben en dus een verschillende importantie. Zo wordt Jahwe graag gebruikt wanneer het een kwestie is van Israëls nationale God in tegenstelling tot de heidense goden, en waar het gaat om de geschiedenis van de vaderen, &c., terwijl Elohim, anderzijds, meer uitdrukking geeft aan een “theologisch” en abstract-kosmisch beeld van God, en dus gebruikt wordt in bredere contexten. … Het is dus de overleveraar, dezelfde overleveraar, die varieert in zijn keuze voor de Godsnaam, en niet de “documenten”. (North, PC, 66-67)
Cassuto verklaart onomwonden:
Er is dus geen enkele reden om verbaasd te zijn dat het gebruik van deze namen varieert in de Thora. In tegendeel, we zouden verbaasd moeten zijn wanneer ze niet afwisselend gebruikt werden. Dit is een noodzakelijk iets. Het is geen geval van ongelijksoortigheid van verschillende documenten, of van een mechanische vermenging van afzonderlijke teksten: elke Hebreeuwse schrijver voelde zich gedrongen om de twee namen op deze manier te gebruiken, omdat hun eerste betekenis, de algemene literaire traditie van het oude Oosten, en de regels voor het gebruik van de Godsnamen in het geheel van de Hebreeuwse literatuur dit vereiste. (Cassuto, DH, 41)
De archeologie biedt een verklaring voor het gebruik van de samenstelling Jahwe Elohim.
Een van de voornaamste aannames van de JEDP-hypothese is dat het gebruik van Jahwe typerend is voor een J-document, en dat van Elohim voor een E-document. De combinatie van deze twee documenten is de basis waarop de radicale critici de samengestelde naam Jahwe Elohim verklaren. Cyrus Gordon citeert zijn persoonlijke bevindingen rond dit onderwerp: “Dit alles is bewonderenswaardig logisch en jarenlang heb ik er geen moment aan getwijfeld. Maar door mijn studie van Ugarit is deze logica met relevante feiten ontkracht.” (Gordon, HCFF, 132) In Ugarit werden goden gevonden met samengestelde namen, zoals Quadisj-Amrar en Ibb-Nikkal. Meestal werd er “en” tussen de twee delen geplaatst, maar het voegwoord kan weggelaten worden.
Het was dus gebruikelijk om samengestelde namen te gebruiken voor een god. Amon-Re, de bekendste god met een samengestelde naam, was het resultaat van de vereniging van Egypte tijdens de achttiende dynastie. Amon was de god van de stad Thebes waar de politieke macht berustte, terwijl Re de universele zonnegod was. De twee goden werden gecombineerd wegens het politieke leiderschap van Thebes en de universaliteit van Re. Maar Amon-Re is één god. Dit werpt licht op de combinatie van Jahwe en Elohim. Jahwe verwijst naar de specifieke kenmerken van de godheid, terwijl Elohim een algemenere of universelere aanduiding van de godheid is. Deze consolidatie van Jahwe Elohim kan aantonen dat Jahwe gelijk is aan Elohim, anders gezegd: “Jahwe is God”. Toch vertellen de aanhangers van de documentaire hypothese ons dat Jahwe Elohim resulteert uit de combinatie van de twee documenten J en E. Dit is even ongegrond als het gebruik van een A-document en een R-document ter verklaring van de samengestelde god Amon-Re. (Gordon, HCFF, 132-133)
Kitchen voegt hier aan toe:
Vergelijk voor meervoudige termen voor godheden het voorkomen van drie namen, een vaststaande uitdrukking, en de soortnaam “god” voor de god Osiris op de Berlijnse stèle van Ikhernofret: “Osiris, Wennofer, Khentamentiu, ‘Heer van Abydos’ (Neb-Abdju), nuter, ‘god’” (vgl. ‘Elohim in het Hebreeuws). Maar geen enkele Egyptoloog vermoeit zich met het bedenken van “Osiristische”, “Wennofristische”, “Khentamentistische ”, “Neb-Abdjuistische en Nuteristische bronnen, analoog aan de Jahwistische en Elohistische bronnen van het oudtestamentische onderzoek. Ikhernofret vertoont een zekere “wijdlopigheid”, maar het is zeker dat deze herinneringsinscriptie (als één geheel) werd samengesteld, uitgesneden en opgericht in een periode van enkele weken, of misschien wel dagen, na de gebeurtenissen waarvan hij in hoofdzaak melding maakt, en geen literaire voorgeschiedenis van diverse eeuwen van “handen”, redacteuren, en ineenschuivingen van varianten. Dit geldt ook voor andere teksten, waarvan sommige hier geciteerd worden en vele niet. Behalve in Egypte vinden we ook meervoudige godsnamen in Mesopotamië. Te noemen valt bijvoorbeeld Enlil, ook wel Nunamnir geheten, in de proloog van de wetten van Lipit-Isjtar, en in de proloog van Hammurapi’s wetten vinden we Inanna/Isjtar/Telitum, en Nintu/Mama. (Kitchen, AOOT, 121)
Raven wijst in het hierboven al geciteerde materiaal op een probleem bij het gebruik van de Godsnamen als bewijs voor de aanwezigheid van verschillende auteurs: “De critici beweren niet dat J onbekend was met de naam Elohim of P en E met de naam Jehova, maar dat ze elk aan één van deze namen de voorkeur gaven. In dat geval blijft de vraag echter: waarom gaf J de voorkeur aan de naam Jehova, en prefereerden E en P de naam Elohim? Op deze belangrijke vraag geeft de verdelende hypothese geen bevredigend antwoord. Als de Pentateuch echter het werk van één auteur is, is het gebruik van deze namen afdoende duidelijk.” (Raven, OTI, 118)
“De grote innovatie van de zijde van de Israëlieten,” merkt Cassuto op,
bestaat er in dat, terwijl de geschriften van de heidenen enerzijds uitdrukking geven aan het abstracte en algemene begrip godheid, en anderzijds melding maken van de een of andere specifieke god, in de Hebreeuwse literatuur het concept van de specifieke God van Israël, volkomen gelijk gesteld wordt aan dat van de God van de hele aarde. JHWH, die erkend wordt door de kinderen Israëls, en voor wie zij zich neerbuigen, is niemand anders dan Elohim, wiens overheersing alle mensen zich min of meer bewust zijn, en die ze in de toekomst volledig zullen moeten erkennen. Dit is de weergaloze gedachte die de Bijbelse dichters tot uitdrukking brengen door middel van de variatie in de Godsnamen. (Cassuto DH, 25)



