In het antieke oosterse milieu van het Oude Testament vinden we veel bijzonder sterke literaire overeenkomsten. En hoewel velen dit negeren, kan niemand met goed fatsoen ontkennen dat principes die geldig zijn gebleken bij de studie van de oude oosterse geschiedenis en literatuur ook op de oudtestamentische geschiedenis en literatuur moeten worden toegepast. Precies zo mogen principes die duidelijk niet juist zijn wanneer ze worden toegepast op de oude Nabije-Oosterse literatuur en geschiedenis, ook niet worden toegepast op oudtestamentische literatuur en geschiedenis. (Kitchen, AOOT, 28)
Daarbij gelden de volgende drie grondbeginselen:
1A. Benader de Hebreeuwse Schrift als alle andere oude literatuur – harmonistisch
De geniale literatuurcriticus Coleridge heeft lang geleden deze grondregel voor de literatuur opgesteld: “Wanneer we bij een goede schrijver op een veronderstelde fout stuiten, moeten we ons onkundig van zijn inzicht veronderstellen tot we er zeker van zijn dat we inzicht hebben in zijn onkundigheid. (Geciteerd door Allis, FBM, 125, zijn cursivering)
De historicus John Warwick Montgomery zegt dat bij het vaststellen van de historiciteit van een oud geschrift “historici en literatuurwetenschappers nog steeds uitgaan van het dictum van Aristoteles [De Arte Poetica, 14606-14616] dat de criticus het voordeel van de twijfel aan het geschrift moet geven in plaats van het zichzelf toe te eigenen.” (Montgomery, HC, 29)
Recenter heeft Kitchen de noodzakelijkheid van dit principe benadrukt voor zowel de studie van het Oude Testament als de Egyptologie: “Het is gebruikelijk om in grote lijnen uit te gaan van de betrouwbaarheid van wat onze bronnen beweren, tenzij er harde, expliciete bewijzen van het tegendeel zijn. … We moeten zoeken naar de fundamentele samenhang die ten grondslag ligt aan de overgeleverde verslagen, zelfs bij veronderstelde discrepanties. Voor heel de oude geschiedenis geldt dat onze overgeleverde bronnen onvolledig en elliptisch zijn.” (Kitchen, AOOT, 28-33)
Allis noemt deze benadering de “harmonistische werkwijze” en zegt over de toepassing ervan op de Hebreeuwse geschriften:
Dit heeft twee duidelijke voordelen. Het ene is dat het recht doet aan de intelligentie en het gezonde verstand van de Bijbelschrijvers. De bewering dat de schrijvers, samenstellers, of redacteuren van de Bijbelse geschriften onderling tegenstrijdige verslagen van dezelfde gebeurtenis in een verhaal zouden opnemen is een aanval op hun intelligentie, of hun achtenswaardigheid, of hun bekwaamheid om met de door hen opgetekende gegevens om te gaan. Het tweede is dat het de Bijbelse manier van interpreteren is. Uit de vele malen en de velerlei wijzen waarop de Bijbelschrijvers elkaar citeren en naar elkaar verwijzen blijkt hun vertrouwen in de bronnen die ze aanhalen. Hun werkwijze is een harmonistische werkwijze. Het allerbelangrijkste is echter dat deze interpretatiewijze de enige is die consistent is met de gewichtige aanspraak van de Bijbel dat hij het Woord van God is. (Allis, OTCC, 35)
2A. Kies voor een open opstelling
Bewer, een fervent verdediger van de documentaire hypothese, verwoordt dit principe uitstekend: “Aan ware wetenschappelijke kritiek komt nooit een eind. Geen enkele vraag heeft voor haar ooit afgedaan. Wanneer nieuwe feiten opduiken of een nieuwe manier om oude feiten te interpreteren wordt gevonden, is de criticus bereid om opnieuw onderzoek te doen, zijn theorie te wijzigen of te verwerpen, wanneer deze niet alle feiten op de meest bevredigende manier verklaart. Want het gaat hem om de waarheid van zijn theorie, en niet om het etiketje, oud of nieuw, orthodox of heterodox, conservatief, liberaal of radicaal, dat anderen er misschien op plakken.” (Bewer, PDS, 305)
Een andere radicale criticus, W. R. Harper, stemt hier van harte mee in: “We moeten tenslotte niet vergeten dat het geen kwestie van meningen is, maar van feiten. Het is niet van belang wat de een of andere criticus erover zegt of denkt. Het is de plicht van ieder die deze vraag bestudeert om de aangedragen punten stuk voor stuk te bekijken en voor zichzelf te beslissen of ze al dan niet geldig zijn.” (Harper, PQ, 7)
Ook R. K. Harrison pleit voor een dergelijke opstelling: “Gedreven door de impact van wat T. H. Huxley eens ‘één akelig feitje’ noemde, zal de werkelijk wetenschappelijke onderzoeker elke door de situatie vereiste verandering doorvoeren, zelfs wanneer dat hem dwingt om feitelijk van voren af aan te beginnen met zijn onderzoek.” (Harrison IOT, 508)
Zelfs al wijzen de feiten misschien niet in een bevredigende richting, het onderzoek moet toch die kant op. Kitchen beweert: “Wanneer sommige hier bereikte resultaten een traditioneel standpunt benaderen of binnen een theologisch orthodox kader passen, dan is dat simpelweg omdat de traditie in kwestie of die orthodoxie veel dichter bij de feiten staat dan men zich algemeen bewust is. Hoewel men nooit uit principe orthodoxie mag verkiezen boven waarheid, is het ook verkeerd om te ontkennen dat orthodoxe standpunten waarheidsgetrouw kunnen zijn.” (Kitchen, AOOT, 173)
De hooggewaardeerde Joodse geleerde Cyrus Gordon, voormalig werkzaam aan Brandeis University, en nu aan New York University, concludeert: “Vasthouden aan een hypothetische bronnenstructuur zoals JEDP is niet in lijn met wat ik als de enige houdbare positie voor een kritische wetenschapper zie: gaan waar het bewijsmateriaal hem brengt.” (Gordon, HCFF, 3, zijn cursivering)
3A. Gebruik externe, objectieve controlemechanismen
Die doorslaggevende feiten waarvoor we steeds open moeten blijven staan, komen aan het licht door archeologisch onderzoek naar het oude Oosten. Cassuto spoort ons aan om “ons onderzoek uit te voeren zonder vooroordeel of angst voor wat we zullen aantreffen, maar ons te verlaten op de objectieve beschouwing van de teksten zelf en onze kennis van het oude Oosten en de culturele omgeving waarin de Israëlieten leefden toen de Thora geschreven werd. Laten we de Bijbelgedeelten niet benaderen met de literaire en esthetische criteria van onze eigen tijd, maar laten we er de richtlijnen op toepassen die gelden voor het oude Oosten in het algemeen en voor het volk Israël in het bijzonder.” (Cassuto, DH, 12)
Volgens Kitchen is dit principe een axioma: “Tastbare, objectieve gegevens en externe bewijzen moeten altijd voorrang krijgen boven subjectieve theorieën of speculatieve meningen. De feiten moeten de theorie bepalen, en niet andersom.” (Kitchen, AOOT, 28)
Cassuto is te prijzen om zijn waardering voor de ijver van de aanhangers van de bronnentheorie. We moeten niet proberen hen te kleineren, maar we mogen hun hypothese en hun methode van bewijsgaring voor die hypothese wel aan een diepgaand onderzoek onderwerpen: we beschikken tegenwoordig over massa’s archeologische bewijzen die suggereren dat de bronnentheoretici tekort schoten toen ze hun theorie opstelden, en mogelijk ontdekken wij iets wat zij gemist hebben of lossen we een probleem op waar zij geen gat in zagen. (Cassuto, DH, 13)
Harrison schrijft: “Gezien de ernstige tekortkomingen in de Graf-Wellhausenbenadering van de Pentateuchproblematiek, en van het Oude Testament in het algemeen, zal iedere nieuwe studie nadrukkelijk gebaseerd moeten zijn op een erkende methodologie die gebruik maakt van de grote hoeveelheden controlematerialen waarover geleerden nu overal ter wereld beschikken, en die inductief redeneert, vanuit het bekende naar het onbekende, in plaats van uitspraken te doen vanuit een puur theoretisch standpunt dat niet meer dan een zwakke relatie heeft met een paar bekende feiten.” (Harrison, IOT, 533)
Ergens anders stelt Harrison: “Slechts wanneer kritiek berust op een gezonde grondslag van antiek Nabije-Oosters leven in plaats van op westerse filosofische of methodologische speculaties, kan die oudtestamentische wetenschap verwachten iets te weerspiegelen van de vitaliteit, waardigheid en geestelijke rijkdom van wet, profetie en heilige geschriften.” (Harrison, IOT, 82)
Kyle vertolkt dit principe doeltreffend: “De theorie moet altijd voorrang geven aan de feiten. In een discussie geven de feiten altijd de doorslag. Zelfs een fervent verdediger van de rechten en de functie van de kritiek als dr. Driver (Authority and Archaeology, p. 143), erkende dit principe, althans in theorie. Want hij zegt: ‘Waar het getuigenis van de archeologie direct is, is het van de allergrootste waarde, en is het over het algemeen doorslaggevend: zelfs wanneer het niet direct is, zal het, mits toereikend en gedetailleerd genoeg, een beslechting hoogstwaarschijnlijk maken.’” (Kyle, DVMBC, 32)
4A. Conclusie
Deze principes zijn impliciet in de studie van het antieke Nabije-Oosten. Met een positieve benadering is een kritische bestudering van het materiaal niet uitgesloten. We vermijden echter wel de vervormingen die samengaan met hyperkritiek. Als ze bereid geweest waren positief onderzoek te doen, zouden de aanhangers van de moderne kritische school een heel ander standpunt hebben ingenomen, en zouden veel van de veronderstelde problemen in de juiste proporties gezien worden. (Kitchen, AOOT, 34)
De huidige situatie in de oudtestamentische kritiek wordt door Kitchen als volgt samengevat:
Door de invloed van het oude oosten op het Oude Testament en op de studie van het Oude Testament ontstaat er een nieuwe spanning, en tegelijkertijd neemt er een oude spanning af. Want het vergelijkingsmateriaal van het antieke Nabije-Oosten lijkt overeen te stemmen met de bestaande structuur van de oudtestamentische geschriften, zoals die feitelijk aan ons zijn overgeleverd, in plaats van met de reconstructies van de negentiende-eeuwse oudtestamentische wetenschap – of met haar voortzetting en ontwikkeling in de twintigste eeuw, tot op de dag van vandaag.
Enkele voorbeelden ter illustratie van dit punt: de gegronde en sterke overeenkomsten met de gebruiken van de aartsvaders komen uit geschriften uit de negentiende tot de vijftiende eeuw v. Chr. (wat voor dit materiaal in Genesis correspondeert met een oorspong in het vroege tweede millennium), en niet uit Assyrisch-Babylonische gegevens van de tiende tot de zesde eeuw v. Chr. (mogelijke periode voor de veronderstelde “J”, “E”bronnen). Zo komt voor Genesis 23 de sterkste parallel uit de Hethitische wetgeving die in de vergetelheid raakte met de val van het Hethitische rijk rond 1200 v. Chr. De verbondsformules die we vinden in Exodus, Deuteronomium en Jozua volgen het model dat in de dertiende eeuw v. Chr. – de tijd van Mozes en Jozua – gebruikelijk was, en niet dat van het eerste millennium v. Chr. (Kitchen, AOOT, 25)
In plaats van ons Bijbelonderzoek te beginnen met de vooronderstelling dat het Oude Testament vol fouten, tegenstellingen, historische onnauwkeurigheden en grote tekstuele missers staat, zouden we nauwkeurig onderzoek moeten doen naar de Hebreeuwse tekst, in het licht van de moderne archeologie en de bestaande kennis van de culturen van het oude Nabije-Oosten in het derde millennium v. Chr. (Harrison, IOT, 532)
Orlinsky merkt op over de richting van het moderne denken: “Steeds meer moet het oude gezichtspunt dat de Bijbelse gegevens verdacht en zelfs waarschijnlijk onjuist waren, tenzij ze bevestigd werden door buiten-Bijbelse feiten, plaats maken voor een standpunt dat stelt dat de Bijbelse verslagen in grote lijnen eerder juist dan onjuist zijn, tenzij ondubbelzinnig bewijs uit bronnen buiten de Bijbel het tegendeel aantonen.” (Orlinsky, AI, 81)











