De cruciale rol die Deuteronomium speelt in het hele documentaire systeem wordt door iedereen ingezien. De radicale criticus George Dahl erkent dit feit:
Met algemene stem wordt aan dit boek een sleutelpositie toegekend in de bestudering van de oudtestamentische geschiedenis, literatuur en religie. De opzienbarende reconstructie van het verloop van de Hebreeuwse geschiedenis – en het is de geweldige inspanning en verdienste van de kritische Bijbelwetenschap geweest die deze tot stand gebracht heeft – is voor haar geldigheid allereerst afhankelijk van de essentiële juistheid van onze datering van Deuteronomium. Vooral de gelijkstelling van het zogenaamde Vijfde Boek van Mozes met het wetboek dat genoemd wordt in 2Koningen 22 e.v. wordt breed gezien als de absolute sluitsteen van het gewelf van het oudtestamentische onderzoek. (Bewer, PDS, 360)
“Het wetboek van Deuteronomium”, stemt Rowley in, “is … van essentieel belang in de Pentateuchkritiek, omdat de andere geschriften voornamelijk ten opzichte van dit boek gedateerd worden.” (Rowley, GOT, 29)
Er is weinig onenigheid bij geleerden van welke overtuiging ook, dat het boek dat in 621 v. Chr. werd ontdekt in de tempel en de hervorming van koning Josia in gang zette (2Koningen 22 en 23) in essentie het boek was dat wij nu kennen als Deuteronomium. Maar er is wel veel onenigheid over de tijd waarin het oorspronkelijk geschreven werd: volgens de radicale critici stamt het uit een tijd, niet ver voor de ontdekking van het boek in 621, terwijl anderen volhouden dat het in de tijd van Mozes geplaatst moet worden.



