Een van de voornaamste zwakheden van de radicale hogere kritische school was dat hun conclusies in hun analyse en isolering van vermeende documenten bijna exclusief gebaseerd waren op hun eigen subjectieve theorieën over de geschiedenis van Israël en het waarschijnlijke ontwikkelings- en compilatieproces van de veronderstelde bronnen. Ze hielden geen rekening met de objectievere en beter te verifiëren archeologische informatie.
De methodologie van de studie van de Pentateuch en die van de werken van Homerus is nog steeds vergelijkbaar. Dat komt doordat ze elkaar beïnvloed hebben en bovendien omdat ze beide voordeel trekken uit de voortschrijding van de algemene onderzoekstechnieken.
Cassuto schrijft:
Ongetwijfeld wordt dit ook beïnvloed door de meningen en begrippen, de tendensen en eisen, het karakter en de eigenaardigheden van elk tijdperk. In dat geval is het heel goed mogelijk dat wat wij voor ons hebben geen objectieve ontdekking is van wat er werkelijk in de oude boeken te vinden is, maar het resultaat van de subjectieve indruk die deze geschriften achterlaten op de mensen in een bepaald milieu. Als onder volken die zo van elkaar verschillen … geleerden literaire fenomenen aantreffen die zo complex en toch zo gelijksoortig zijn, en precies één tendens in het ene tijdvak en een andere tendens in een ander, en nog een derde in een derde periode, dan rijst automatisch het vermoeden dat de opvattingen van de onderzoekers niet gebaseerd zijn op puur objectieve feiten, maar dat ze blijkbaar gemotiveerd zijn door de subjectieve eigenschappen van deze onderzoekers zelf. (Cassuto, DH, 12)
Harris wijst erop:
Welke kritiek er verder nog aan te voeren valt op Wellhausen en zijn school, het is overduidelijk dat zijn theorie over de oorsprong van de Pentateuch heel anders geweest zou zijn (als ze al geformuleerd zou zijn) wanneer Wellhausen ervoor gekozen had om rekening te houden met het in zijn dagen voor onderzoek beschikbare archeologische materiaal, en als hij zijn filosofische en theoretische overwegingen had onderworpen aan een bescheiden en rationele beoordeling van het feitelijke bewijsmateriaal als geheel. Terwijl hij en zijn volgelingen tot op zekere hoogte putten uit de filologische ontdekkingen van zijn tijd en een zekere mate van belangstelling toonden voor de oorsprong van de laat-Arabische cultuur in relatie tot haar Semitische voorgangers, verlieten ze zich wat hun Bijbeluitleg betreft bijna uitsluitend op hun eigen kijk op de cultuur en de godsdienstige geschiedenis van de Hebreeën. (Harrison, IOT, 509)
Harrison vervolgt: “Wellhausen nam nauwelijks enige notie van de voortgang op het gebied van de Oosterse studies, en wanneer hij eenmaal een conclusie getrokken had, deed hij nooit moeite om zijn mening te herzien in het licht van nieuwe vindingen op het onderzoeksterrein.” (Harrison, IOT, 509)
Zelfs nog in 1931 beweerden sommige critici dat het analyseren van vermeende bronnen de meest nauwkeurige methode was voor het vaststellen van de historische achtergrond van de Pentateuch. J. Pedersen, een Zweedse geleerde en een van de pioniers van de school van de mondelinge overlevering, deed de volgende bewering (“Die Auffassung vom alten Testament”) in Zeitschrift für die alttestamentischen Wissenschaft, 1931, deel 49, p. 179), hier geciteerd door C. R. Northe: “Alle bronnen van de Pentateuch zijn zowel pre- als post-exilisch. Als wij met deze en andere bronnen werken, beschikken we over geen andere middelen dan die van de intrinsieke beoordeling (innere Schatzung); in elk individueel geval moet het wezen van het materiaal op grond daarvan onderzocht worden, en de veronderstelde achtergrond daaruit afgeleid worden.” (North, PC, 62)
Een dergelijke afhankelijkheid van een zo subjectieve methodologie als de bronnenanalyse is door veel geleerden bekritiseerd.
Mendenhall schrijft: “De waarde van literaire analyse voor de geschiedenis, en haar succes in het overtuigen van de wetenschappelijke wereld van vandaag hangt af van de selectie van toereikender beoordelingscriteria dan waar haar aanhangers tot dusverre blijkbaar in geslaagd zijn. De resultaten moeten dan ook gecategoriseerd worden als hypothesen, en niet als historische feiten. Voor de reconstructie van de geschiedenis zelf is meer nodig dan een literaire analyse, hoe waardevol en noodzakelijk hypothesen ook zijn.” (Mendenhall, BHT, 34)
“Literaire kritiek”, waarschuwt Wright,
is een onmisbaar instrument voor de inleidende studie van geschreven documenten, maar is op zich niet de sleutel tot historische reconstructie. Zoals Mendenhall zei: “Het isoleren van een bron in de Pentateuch of elders kan geen andere historische informatie geven dan het feit dat deze zijn neerslag vond in geschreven vorm, in een min of meer gefixeerd chronologisch tijdperk, door een persoon met een bepaalde kijk op Israëls verleden. Het kan geen criteria leveren voor de beoordeling van de geïsoleerde bronnen, maar hoogstens een mogelijk bewijs leveren dat een latere bron gebruik maakte van een eerdere” (“Biblical History in Transition”). Er zijn dus externe criteria nodig, en daarin wordt nu juist in overvloed voorzien door de archeoloog. (Wright, AOTS, 46)
A. H. Sayce voegt toe: “Telkens weer werden de meest stellige beweringen van de sceptische kritiek weerlegd door archeologische ontdekkingen; gebeurtenissen en personages die met veel overtuiging als mythisch waren afgedaan bleken historisch te zijn, en de oudere schrijvers bleken beter bekend te zijn met wat ze beschreven dan de moderne criticus die hen gehoond had.” (Sayce, MFHCF, 23)
G. E. Wright waarschuwt: “We moeten proberen de geschiedenis van Israël te reconstrueren zoals historici dat met andere oude volken doen, met behulp van alle beschikbare hulpmiddelen, en we kunnen ons zeker niet veroorloven om daarbij de archeologie te verwaarlozen.” (Wright, AOTS, 51)
Ook Albright vraagt om verifieerbare methoden: “De uiteindelijke historiciteit van een bepaald gegeven wordt nooit doorslaggevend bepaald of uitgesloten door het literaire kader waarin het is ingebed: er moet altijd extern bewijsmateriaal zijn.” (Albright, ICCLA, 12)
De volgende opmerking van Mendenhall verdient de aandacht: “Het is veelzeggend dat het merendeel van de belangrijke resultaten in de geschiedwetenschap weinig van doen heeft met literaire analyse.” (Mendenhall, BHT, 50)
Wright zegt, als hij het heeft over de rol van externe gegevens in het tegengaan van hyperkritiek (die leidt tot hyperscepticisme):
Toen in de afgelopen eeuw de grondhouding van de hogere kritiek ontstond, waren er onvoldoende buiten-Bijbelse gegevens die konden dienen als rem tegen hyperscepticisme. Het gevolg was dat het ene gedeelte na het andere werd aangevochten als een literaire vervalsing, en dat de kans op “vrome misleiding” in de compilatie van geschreven documenten zo overdreven werd dat het alle grenzen van het gezond verstand tartte. Wanneer een dergelijke kritische houding gemeengoed wordt, wordt opbouwend werk leveren steeds moeilijker, omdat in het algehele negativisme zowel emotionele als rationele factoren een rol spelen. (Wright, PSBA, 80)
Albright zegt over de historiciteit van het Oude Testament: “Archeologische gegevens en inscripties hebben de historiciteit van talloze gedeelten en beweringen in het Oude Testament bevestigd. Dergelijke gevallen zijn vele malen groter in aantal dan die waarin het tegendeel bewezen of aannemelijk gemaakt is.” (Albright, RDBL, 181)
Albright merkt verder op: “Wellhausen geldt in onze ogen nog steeds als de grootste Bijbelwetenschapper van de negentiende eeuw. Maar zijn standpunt is verouderd en zijn beeld van de evolutie van Israël is jammerlijk verwrongen.” (Albright, RDBL, 185)



