3A. Natuurlijke kijk op Israëls godsdienst en geschiedenis (evolutionair)

Hegels evolutiegedachte wordt niet alleen toegepast op de geschiedenis, maar ook op de religie, en in het bijzonder op het Oude Testament. Rationalistische critici bedachten dat de godsdienstige ontwikkeling een evolutionair proces had doorgemaakt dat “in de dagen van de primitieve mens” was begonnen met “een geloof in geesten, en vervolgens verschillende stadia had doorlopen, waaronder manisme of voorouderverering; fetisjisme, het geloof dat er in voorwerpen geesten huisden; totemisme, het geloof in een stamgod en een stamdier dat verwant is met de stamleden; mana, de gedachte van een inwonende kracht; magie, de beheersing van het bovennatuurlijke. Uiteindelijk had de mens duidelijke goden (polytheïsme) bedacht en later één god boven alle andere verheven, een stadium dat henotheïsme genoemd wordt.” (Free, AL, 332)

G. E. Wright geeft een toelichting op het standpunt van Wellhausen en vele andere radicale critici:

De Graf-Wellhausenreconstructie van de geschiedenis van Israëls godsdienst kwam er feitelijk op neer dat we op de bladzijden van het Oude Testament een volmaakt voorbeeld zien van de evolutie van de religie van animisme in de tijd van de aartsvaders, naar henotheïsme of monotheïsme. Dat laatste werd pas in pure vorm bereikt tijdens de zesde en de vijfde eeuw. De aartsvaders aanbaden de geesten in bomen, stenen, bronnen, bergen, enz. De God van het voorprofetische Israël was een stamgod, wiens macht beperkt was tot het land Palestina. Onder invloed van de Baäldienst werd hij zelfs tot een god van de vruchtbaarheid, en wel zo verdraagzaam dat de vroege godsdienst van de Israëlieten weinig verschilde van die van Kanaän. Het waren de profeten die de ware vernieuwers waren en van wie het merendeel, zo niet alles, afkomstig was van wat werkelijk onderscheidend was voor Israël, en zijn hoogtepunt bereikte met het universalisme van II Jesaja. We hebben dus animisme of polydemonisme, een beperkte stamgod, impliciet ethisch monotheïsme, en ten slotte, expliciet en universeel monotheïsme. (Wright, PSBA, 89-90)

Orr zegt:

Wanneer onbevooroordeeld kan worden aangetoond dat Israëls godsdienst zich op zuiver natuurlijke gronden laat verklaren, dan is de historicus gerechtvaardigd in zijn oordeel dat ze in dit opzicht op gelijke voet staat met andere religies. Wanneer eerlijk onderzoek echter leidt tot een ander resultaat – wanneer dit aantoont dat deze religie kenmerken vertoont die haar in een heel andere categorie dan alle andere plaatst, en ons dwingt voor haar een andere en hogere oorsprong te postuleren, – dan moet dat feit eerlijke erkenning krijgen als onderdeel van het wetenschappelijk resultaat, en moeten de aard en de dimensie van dit hogere element tot onderwerp van studie gemaakt worden. Het gaat net zo min aan om de feiten– als het feiten zijn – terzijde te schuiven door a priori dogmatische aannames aan de ene kant, als aan de andere kant. In zoverre stemmen we in met Kuenen, dat ons uitgangspunt moet zijn de godsdienst van Israël net zo te behandelen als welke andere godsdienst ook. (Orr, TPOT, 14)

Orr vervolgt: “Ten eerste, en wellicht ten diepste, wordt deze afwijzing veroorzaakt door de a priori veronderstelling dat een beeld van God zoals het Oude Testament dat toeschrijft aan de aartsvaders en Mozes een onmogelijkheid voor hen was in dat stadium van de geschiedenis. Het was te hoog verheven en te geestelijk voor hun denken. De correlaten van het begrip van de eenheid van God zijn een begrip van de wereld en van mens-zijn, en geen van deze begrippen, verzekert men, bestond in het denken van het oude Israël.” (Orr, TPOT, 127-128)

Wellhausen zegt over de schepping van de wereld: “In een jeugdig volk is een dergelijke theologische abstractie ongehoord en dus zien we bij de Hebreeën zowel de term als het begrip pas in gebruik raken na de Babylonische ballingschap.” (Wellhausen, PHI, 305)

Welhausen voegt daaraan toe: “Het religieuze begrip mens-zijn dat onderliggend is aan Genesis 9:6 is evenmin oud bij de Hebreeën als bij andere volken.” (Wellhausen, PHI, 312)

De Nederlandse geleerde Kuenen verwoordde dit standpunt in het hoofdstuk getiteld “Ons standpunt” in zijn boek De godsdienst van Israël. Hij verdedigt het principe dat er geen onderscheid te maken valt tussen de godsdienst van Israël en andere godsdiensten. Kuenen zegt: “Voor ons is de Israëlitische godsdienst een van die godsdiensten: niets minder, maar ook niets meer.” (Kuenen, RI, g.p.)

83 Orrs beoordeling van dit standpunt is overtuigend: “Wie er van te voren, in een onderzoek dat volkomen afhangt van dit ene punt, vanuit gaat dat de godsdienst van Israël geen kenmerken vertoont die niet verklaarbaar zijn uit natuurlijke oorzaken – dat er geen hogere factoren nodig zijn voor hun verklaring – velt een voorbarig oordeel over de hele kwestie.” (Orr, TPOT, 13)

Gleason Archer, die studeerde aan Harvard, Suffolk Law School, Princeton Theological Seminary, en vervolgens voorzitter was van de afdeling Oude Testament aan de Trinity Evangelical Divinity School, laat zien hoe de critici aankeken tegen Israëls geschiedenis.

De negentiende eeuw werd gedomineerd door een evolutionaire kijk op de geschiedenis en een antropocentrisch beeld van de godsdienst. Volgens de heersende gedachte was godsdienst gespeend van elke goddelijke tussenkomst, en te verklaren als een natuurlijke ontwikkeling, een voortbrengsel van de subjectieve behoeften van de mens. Men was er zeker van dat de Hebreeuwse godsdienst, net als haar buren, begonnen was met animisme, en daarna de fasen polydemonisme, polytheïsme, menolatrie en uiteindelijk monotheïsme had doorlopen. (Archer, SOTI, 132-133)

Getuige Herbert Hahn was de toen in zwang zijnde evolutionaire filosofie van Hegel van doorslaggevende invloed op de studie van het Oude Testament:

Het idee van historische ontwikkeling was de voornaamste bijdrage van de liberale critici aan de exegese van het Oude Testament. Natuurlijk is het zo dat dit idee niet alleen voortkwam uit een objectief lezen van de bronnen. In breder opzicht was het een weerspiegeling van de intellectuele mentaliteit van die tijd. De genetische kijk op de oudtestamentische geschiedenis sloot aan bij het heersende evolutionaire interpretatieprincipe in de toenmalige wetenschap en filosofie. In de natuurwetenschappen was door de invloed van Darwin de evolutietheorie de overheersende onderzoekshypothese geworden. In de historische wetenschappen en op het gebied van het religieuze en filosofische denken was de evolutiegedachte een sterke invloed gaan uitoefenen, nadat Hegel het begrip “zijn” had vervangen door “worden”. Hij had dit concept bedacht door deductief redeneren, zonder het wetenschappelijk te toetsen aan waarneembare feiten, maar desondanks werd Hegel de intellectuele grondlegger van het moderne gezichtspunt. Op elk terrein van het historisch onderzoek werd het idee van ontwikkeling gebruikt om het denken, de gebruiken, en zelfs de godsdienstige overtuigingen van de mens te verklaren. Het was niet vreemd dat ditzelfde principe werd toegepast bij het verklaren van de oudtestamentische geschiedenis. In alle tijden heeft de exegese zich aangepast aan de denkvormen van de tijd, en in de tweede helft van de negentiende eeuw werd het denken beheerst door de wetenschappelijke methoden en een evolutionaire kijk op de geschiedenis. (Hahn, OTMR, 9-10)

Paul Feinberg schrijft over Hegels benadering van de geschiedenis:

Hegel geloofde dat de probleemstelling van de filosofie het vinden van de betekenis van de geschiedenis was. Vanuit deze fundamentele vooronderstelling probeerde hij het geheel van de menselijke geschiedenis te verklaren. De geschiedenis van Israël, die bijna twee millennia bestreek, was een voor de hand liggend uitgangspunt. In zijn Philosophy of Religion kent Hegel de Hebreeuwse godsdienst een vastomlijnde en noodzakelijke plaats toe in de evolutionaire ontwikkeling van het christendom, de absolute godsdienst. Hegels kijk op de Hebreeuwse godsdienst en zijn algemene schematisering van de geschiedenis bood Hegelianen een onweerstaanbaar kader voor een poging tot interpretatie van het Oude Testament. (Feinberg, DGP, 3)

De Encyclopedia Brittannica geeft een samenvatting van Hegels filosofie: “Hegel ziet het geheel van de menselijke geschiedenis als een proces waardoor de mensheid geestelijke en morele vooruitgang geboekt heeft; dat wat de menselijke geest verricht heeft in de loop van zijn ontwikkeling naar zelfkennis. … De eerste stap was de overgang van een primitief, natuurlijk leven naar een toestand van recht en wet.” (EB, 1969, 202-203)

Hegels invloed op de negentiende-eeuwse wetenschappers blijkt uit een opmerking van Kuenen (Religion of Israël, p. 225), geciteerd door Orr: “Op wat wij de universele, of ten minste de algemene regel mogen noemen, dat godsdienst begint met fetisjisme, zich vervolgens ontwikkelt tot polytheïsme, en daarna, maar niet eerder, opklimt naar monotheïsme – op deze regel vormen de Israëlieten geen uitzondering.” (Orr, TPOT, 47)

Een dergelijk standpunt negeert of trekt in twijfel wat Israël zelf te zeggen heeft over zijn geschiedenis, neergeschreven in het Oude Testament.

De school van Wellhausen benaderde de Hebreeuwse godsdienst met het vooringenomen idee dat deze slechts een voortbrengsel van de evolutie was, onberoerd door het bovennatuurlijke. Zijn benadering had absoluut geen oog voor het feit alleen dat Hebreeuwse godsdienst en zijn vertakkingen een werkelijk monotheïsme hebben voortgebracht, en dat in heel de Hebreeuwse Schrift monotheïsme de enige boodschap is. Dat is de reden dat men de verhalen van Israëlitische voorvaders als Abraham, Isaak, Jakob, en Mozes opnieuw onderzocht, met de bedoeling aan te tonen dat hun vroege polytheïsme werd gecamoufleerd door de latere Deuteronomische en Priesterlijke schrijvers. (Archer, SOTI, 98)

Dat deze grote vooronderstelling – de evolutionaire kijk op Israëls geschiedenis en godsdienst – cruciaal was voor de hele documentaire hypothese wordt vastgesteld in de volgende samenvatting van de grondslagen van de theorie, die we vinden in The Interpreter’s Dictionary of the Bible:

In haar basale vorm berustte de documentaire hypothese op twee soorten argumenten: argumenten gebaseerd op literaire en taalkundige bewijzen, resulterend in de verdeling van het materiaal van de Pentateuch in verschillende geschreven bronnen, en argumenten gebaseerd op historische bewijzen voor de evolutie van godsdienstige organen en ideeën in Israël, leidend tot een analyse van de onderlinge verhouding tussen de documenten, en een chronologische ordening om deze te verklaren. (IDB, 713)

W. F. Albright, die van 1929 tot 1958 W.W. Spence Professor of Semitic Languages aan de Johns Hopkins Universiteit was en ook directeur was van de American Schools of Oriental Research in Jeruzalem, werd tot aan zijn dood in 1971 door velen gezien als de meest vooraanstaande Bijbelse archeoloog ter wereld. Zijn werk dwong vele critici hun conclusies over de geschiedenis van Israël volkomen te herzien. Over Wellhausens toepassing van Hegels filosofische theorieën op de geschiedenis van Israël schrijft Albright:

Hij probeerde, door middel van een Hegeliaanse analogie met het voor-islamitische en islamitische Arabië, een systeem op te zetten voor de ontwikkeling van de geschiedenis, de godsdienst, en de literatuur van Israël, dat paste binnen zijn kritische analyse. Wellhausens structuur was zo briljant en bood zo’n eenvoudige, schijnbaar uniforme interpretatie dat ze nagenoeg universeel werd aanvaard door liberale protestantse wetenschappers, en zelfs, op grote schaal, door rooms-katholieke en joodse wetenschappers. Er waren natuurlijk enkele uitzonderingen, maar bijna overal waar mensen grondig werden opgeleid door middel van de studie van het Hebreeuws en het Grieks en de kritische methode indronken, maakten ze zich ook de principes van Wellhausen eigen. Helaas kwam dit alles tot ontwikkeling in een jeugdig stadium van de archeologie, en was het van zeer weinig waarde voor de interpretatie van de geschiedenis. (Albright, AHAEBT, 15)

Vaak limiteerden critici zgn. ontwikkelde theologische concepten tot Israëls latere geschiedenis, en concludeerden ze dat vroege concepten primitief geweest moesten zijn.

Kitchen heeft overtuigend aangetoond dat in het oude Oosten veel van dergelijke “ontwikkelde concepten” al in het derde millennium v. Chr. gemeengoed waren. Hun wijdverbreide aanwezigheid in zoveel geschriften maakt het waarschijnlijk dat de Hebreeën op elk moment van hun geschiedenis met deze ideeën bekend waren. Een voorbeeld: veel critici schreven de personificatie van de wijsheid in Spreuken toe aan de invloed van de Grieken in de derde en vierde eeuw v. Chr. Maar precies datzelfde type personificatie van waarheid, recht, begrip, enz. wordt al in het derde millennium v. Chr. gevonden in Egypte en Mesopotamië, en in het tweede millennium v. Chr. in de Hethitische, Hurritische en Kanaänitische literatuur. Al in 1940 werd aangetoond dat het concept van een universele God wijdverbreid was tijdens het derde millennium v. Chr., maar toch verbinden veel radicale critici dit Bijbelse idee (zoals te vinden in Psalm 67) nog steeds nadrukkelijk met “een relatief late periode”. (Kitchen, AOOT, 126-127)

We herkennen dit taalgebruik van de evolutionaire school bij John Mackay, voormalig directeur van het Princeton Seminary, als hij over het Oude Testament zegt: “Het verhaal als geheel heeft de bedoeling de gedachte over te brengen dat de ene universele God, de ‘god van de hele aarde’, zich, aanvankelijk in de bescheiden gestalte van een stamgod, manifesteerde in het leven van Israël” (History and Destiny, p. 17). (Geciteerd door Free, ANO, 131)

Albright geeft een samenvatting van dit gezichtspunt als hij zegt: “De hele Wellhausenschool weigert categorisch een Mozaïsch monotheïsme aan te nemen en is er evenzeer van overtuigd dat het Israëlitische monotheïsme het resultaat was van een gradueel proces, dat pas in de achtste eeuw v. Chr. zijn hoogtepunt bereikte.” (Albright, APB, 163)

Wat de radicale critici hier naar voren brengen is onmiskenbaar het resultaat of de conclusie van antisupranaturalistische vooronderstellingen die ze hebben toegepast op de oudtestamentische godsdienst van Israël. Omdat er geen ruimte wordt gelaten voor een rechtstreekse openbaring van God moet hun monotheïsme zich, net als andere godsdiensten, ontwikkeld hebben via reguliere evolutionaire kanalen.

Vandaar dat de radicale critici concluderen dat een literair fragment te dateren is aan de hand van de fase waarin het religieuze onderwijs erin zich bevindt. Men wordt verondersteld te concluderen dat hoe ouder de literaire bron is, hoe primitiever de godsdienstige concepten zijn.

Wanneer er in een boek dat beweert uit de tijd van Mozes (1400 v. Chr.) te stammen monotheïsme voorkomt, wordt het door vele radicale critici onmiddellijk verworpen, want, schrijft Pfeiffer: “De basis van het monotheïsme werd pas in Amos’ tijd gelegd.” (Pfeiffer, IOT, 580)

Hier volgen een aantal aannames van propagandisten van de evolutionaire vooronderstelling:


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate