“We vinden veel verwijzingen naar Jezus’ wonderen in de juridische handboeken en de geschiedschrijving van de Joden,” schrijft Ethelbert Stauffer in Jesus and His Story. “Rond 95 n. Chr. spreekt Rabbi Eliëzer ben Hircanus van Lydda over Jezus’ magische kunsten.” (Stauffer, JHS, 9) “Rond diezelfde periode (95 – 110 n. Chr.) stuiten we op de stereotiepe veroordeling: ‘Jezus beoefende magie en misleidde Israël.’” (Sanhedrin 43a). (Stauffer, JHS, 10)
“Rond 110 horen we over een controverse onder de Palestijnse Joden rond de vraag of het toegestaan is om in de naam van Jezus te genezen. … Wel, wonderbaarlijke genezingen in de naam van Jezus veronderstellen dat Jezus zelf dergelijke wonderen deed.” (Stauffer, JHS, 10)
We hebben ook een verhulde verwijzing van Julianus de Afvallige, Romeins keizer van 361-363, die een van de meest getalenteerde tegenstanders van het christendom was. In zijn polemiek tegen het christendom zegt hij: “Jezus … wordt nu al zo’n 300 jaar vereerd, terwijl hij in zijn hele leven niets achtenswaardigs gedaan heeft, tenzij iemand denkt dat het een groots werk is om lammen en blinden te genezen en demonen uit te werpen in de dorpen van Betsaïda en Betanië.” (Schaff, PC, 133) Zo getuigt Julianus ongewild van Christus’ wondermacht.



