De betekenis van een woord wordt bepaald door zijn context. Zo betekent het woord vorst vriezend weer in de zin: “Door de strenge vorst waren er veel leidingen gesprongen” of de persoon die over een land regeert in: “De vorst bepaalde dat de belastingvrijstelling zou worden ingetrokken.” Zo moeten we ook de context raadplegen om te ontdekken wat alma in die context betekent.
In het Oude Testament verwijst alma zeven keer naar een jonge vrouw (Genesis 24:43; Exodus 2:8; Psalm 68:26; Spreuken 30:19; Hooglied 1:3; 6:8; Jesaja 7:14). Edward Hindson stelt: “Hoewel het waar is dat alma niet het algemene woord voor maagd is, wijst het gebruik ervan altijd op een maagd.” Bovendien “wordt alma in de Bijbel duidelijk nooit gebruikt voor een getrouwde vrouw, maar altijd voor een ongetrouwde vrouw.” (Hindson, II, 7)
1E. Genesis 24:43
In Genesis 24 bidt Eliëzer nadat hij in Aram–Naharaïm gearriveerd is, of God hem wil helpen om de juiste vrouw voor Abrahams zoon te vinden. In vers 16 wordt Rebecca omschreven als “een heel knap meisje, een maagd [betula] nog, er had nog nooit een man met haar geslapen.” Later verwijst Eliëzer naar haar als “de maagd/de jonge vrouw [alma]” (v. 43).
2E. Exodus 2:8
Over Exodus 2:8 schrijft Richard Niessen:
Exodus 2 vertelt het verhaal van het kind Mozes dat uit de rivier gered werd door de dochter van de farao. Mozes’ zus Mirjam, die toekeek, liep snel naar haar toe en stelde voor om een Hebreeuwse vrouw (haar moeder) te zoeken die het kind kon voeden. “‘Ja, doe dat maar,’ antwoordde de dochter van de farao, waarop het meisje [alma] de moeder van het kind ging halen” (Exodus 2:8).
Uit de manier waarop Mirjam in het verhaal wordt geïntroduceerd valt af te leiden dat ze niet veel ouder dan Mozes was, wat wordt bevestigd door het feit dat ze op dat moment nog bij haar moeder woonde.
Uit dit gedeelte blijkt dat in de leeftijdsconnotatie van de term het aspect van de biologische maagdelijkheid besloten is. Mirjam was een tiener die ook maagd was. (Niessen, V, 137)
Albert Myers is het hiermee eens en stelt dat Mozes’ zus Mirjam “ongetwijfeld een maagd was (Exodus 2:8).” (Myers, UAOT, 139)
3E. Psalm 68:26
In Psalm 68:26 maken de “meisjes [alma] met tamboerijnen” deel uit van een processie die de goddelijke Koning vergezelt “naar zijn heiligdom”. In zijn uitleg van deze tekst zegt Niessen dat de meisjes zeker geen hoeren of onreine vrouwen waren, maar kuise dienaressen van God, en dus maagden waren. Bovendien waren het naar Semitisch gebruik over het algemeen ongetrouwde vrouwen die deelnamen aan bruidsstoeten en andere feestelijke optochten. Daaruit kunnen we opmaken dat de jonge vrouwen van wie hier sprake is, volgens het gebruik maagden waren.” (Niessen, V, 138)
4E. Spreuken 30:19
De schrijver van Spreuken 30 noemt in vers 19 vier dingen die “te wonderlijk” voor hem zijn: “de vlucht van een arend hoog aan de hemel, het glijden van een slang over de rots, de vaart van een schip op volle zee, de weg van een man naar een alma”. Vervolgens plaatst hij in vers 20 de slechte vrouw tegenover het deugdzame meisje.” (Hindson, II, 7)
Hindson wijst er in zijn uitleg van Spreuken 30:19 op dat “de samensteller door deze twee verzen naast elkaar te zetten de zegen van het deugdzame meisje contrasteert met het kwaad van de overspelige vrouw. Het beeld moet hier dan ook worden geïnterpreteerd als dat van een maagdelijke jonge vrouw.“ (Hindson, II, 7)
Niessen vat het gedeelte ook zo op: “Wat hier beschreven wordt, is de omgang en de betovering van de jeugdige liefde van een jongeman en zijn vriendin. Hoewel het gedeelte niet specifiek melding maakt van de maagdelijkheid van het meisje, kan deze verondersteld worden.” (Niessen, V, 140)
5E. Hooglied 1:3
In een poëtisch gedeelte van Salomo’s liefdeslied zegt de bruid over haar bruidegom: “Zoet is de geur van je huid, je naam is een kostbaar parfum. Daarom houden de meisjes van jou” (Hooglied 1:3).“Iemands naam”, verklaart Jack Deere, “stond voor zijn karakter of reputatie (vgl. 2Samuël 7:9). Dus de vergelijking van Salomo’s naam met een parfum betekende dat zijn karakter aangenaam en aantrekkelijk was voor de geliefde. Om deze reden, zegt ze, voelden velen zich tot hem aangetrokken.” (Deere, SS, 1011, 1012). De andere vrouwen die zich tot de geliefde aangetrokken voelden, “waren geen getrouwde vrouwen maar jonge vrouwen die verlangden naar een echtgenoot maar hem niet gekregen hadden. Het woord [alma ] impliceert hier het idee van maagdelijkheid. (Niessen, V, 140-141)
6E. Hooglied 6:8
Hooglied 6:8 noemt drie soorten vrouwen die het hof van de koning vormden: koninginnen, bijvrouwen en meisjes [alma]. Niessen merkt op:
De koninginnen waren ongetwijfeld gehuwd, en de bijvrouwen waren vergelijkbaar met ongehuwd samenwonenden in onze tijd. De [meisjes] worden klaarblijkelijk gecontrasteerd met deze twee groepen, en zullen dus ongetrouwde vrouwen zijn geweest. Ze waren in dienst van de koninginnen en bestemd om uiteindelijk vrouw van de koning te worden. Vandaar dat het heel vanzelfsprekend is om hen als maagden te beschouwen. Dit wordt bevestigd door de gebeurtenissen in Ester 2. Koning Xerxes had een grote hoeveelheid maagden bij elkaar gehaald om uit hen een nieuwe koningin te kiezen (2:1-4). Reinheid was zo essentieel dat de vrouwen een ritueel reinigingsproces van een jaar moesten doormaken (2:12,13) voordat ze naar de kamer van de koning gingen. Aan hun biologische maagdelijkheid werd niet getwijfeld, deze werd als vaststaand aangenomen. (Niessen, V, 141)
7E. Jesaja 7:14
Na het gebruik van alma in de Hebreeuwse Schrift bestudeerd te hebben, komt R. Dick Wilson tot twee conclusies: “Ten eerste, dat alma, zover bekend, nooit ‘jonge getrouwde vrouw’ betekende; en ten tweede, aangezien in het algemene gebruik de veronderstelling was en is dat elke alma een maagd en deugdzaam is, tot het tegendeel bewezen is, hebben we het recht te veronderstellen dat Rebecca en de alma van Jesaja 7:14 en alle andere alma’s maagd waren, tenzij en totdat het tegendeel bewezen is.” (Wilson, M’AI, 316)
De belezen wetenschapper J. Gresham Machen komt in The Virgin Birth of Christ tot dezelfde conclusie: “Van de zeven keer dat alma voorkomt in het Oude Testament wordt het woord nergens duidelijk gebruikt voor een vrouw die geen maagd was. We geven graag toe dat alma, anders dan betula, feitelijk geen maagdelijkheid aangeeft, het betekent eerder: ‘jonge vrouw van huwbare leeftijd’. Anderzijds valt in het licht van het gebruik te betwijfelen of het een natuurlijke aanduiding was voor iemand die feitelijk geen maagd was.” (Machen, VBC, 288)
Willis J. Beecher komt tot hetzelfde oordeel in zijn klassieke verhandeling “The Prophecy of the Virgin Mother”: “Het Hebreeuwse woordenboek vertelt ons dat het woord alma, hier [d.i.: in Jesaja 7:14] vertaald als maagd, een volwassen jonge vrouw aanduidt, of ze nu maagd is of niet. Qua woordafleiding is dat ongetwijfeld het geval, maar in het Bijbelse gebruik duidt het woord in alle gevallen waarin de betekenis ervan kan worden vastgesteld een maagd aan. (Beecher, PVM, 179-180)
Met andere woorden, aangezien alma in de context van alle andere Bijbelgedeelten waarin de term voorkomt, maagdelijkheid impliceert, moeten we aannemen dat alma ook maagdelijkheid impliceert in Jesaja 7:14. De context van dit gedeelte geeft meer aanwijzingen dat de profetische alma een maagd moet zijn.
1F. De historische context
Het teken van de maagdelijke geboorte werd gegeven tijdens een traumatische periode in de geschiedenis van Juda. Volgens Jesaja 7:1 voerde “koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu” oorlog tegen Jeruzalem, maar waren ze er tot dusverre niet in geslaagd de stad in te nemen. Achaz, de toenmalige koning van Juda, raakte in paniek en overwoog serieus om militaire ondersteuning te vragen aan Assyrië om de aanvallende legers tegen te houden en te verslaan. Het probleem van deze optie was, zoals Niessen aangeeft, dat “Assyrië een zelfzuchtige overwinningsmacht was, en Juda dat bondgenootschap alleen voor de dure prijs van zijn onafhankelijkheid zou kunnen verwerven. Het zou niet lang geduurd hebben voordat Jehova uit zijn tempel geveegd was en de goden van Assyrië in zijn plaats gezet waren.” Niessen vervolgt:
Jesaja ging naar Achaz om hem te verzekeren dat God Jeruzalem zou bevrijden en om hem te waarschuwen tegen een rampzalige verwikkeling met Assyrië. Jesaja’s boodschap was tweeledig: (a) De twee aanvallers waren niets dan “smeulende stukken hout” en zodoende niets om je druk over te maken (7:3-9). (b) Als bewijs dat Jesaja geen valse profeet was en dat God werkelijk machtig genoeg was om Juda te bevrijden kreeg Achaz de opdracht om een teken ter bevestiging te vragen – wat hij ook maar kon bedenken, vanaf de hoge hemel tot de diepte van het dodenrijk (7:10, 11) – maar hij weigerde (7:12)!
Achaz wist dat Jesaja hem voor een dilemma stelde. Als hij het teken aanvaardde, zou zijn eigen eer en de publieke opinie hem verhinderen om de Assyriërs te hulp te roepen, wat hij sowieso van plan was…. Achaz weigerde het teken uit politieke overwegingen en vanwege een ongelovig hart…. Nadat hij Achaz berispt had, vervolgde Jesaja zijn boodschap. “Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de alma is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuël noemen (7:14).” (Niessen, V, 142-143)
2F. De aard van het teken
In deze context was het teken op te vatten als een hoogst ongebruikelijke gebeurtenis, iets wat alleen God kon doen, een wonder. Zoals John Martin opmerkt “was het teken hier bedoeld als een opvallend wonder dat Gods woord zou bevestigen.” (Martin, I, 1047) A. Barnes stemt hiermee in en zegt dat het teken in deze context “een wonder is, verricht als bewijs van een goddelijke belofte of boodschap.” (Feinberg, VBOTI, 253)
Aangezien Achaz weigerde een teken te noemen dat God zou kunnen geven, vertelt God zelf wat het teken zal zijn. Het is redelijk om te veronderstellen dat wanneer God met zijn eigen teken komt, dat ook een wonderteken zal zijn. Op basis van de context is de redenering van J. A. Alexander gerechtvaardigd: “Het lijkt bijzonder onwaarschijnlijk dat na een dergelijk aanbod [van God aan Achaz], het [uiteindelijk door God] gegeven teken een puur alledaags verschijnsel zou zijn, of hoogstens een symbolische naamgeving. Deze veronderstelling wordt versterkt door de ernst waarmee de profeet over de voorzegde geboorte spreekt, niet als een normaal en natuurlijk gebeuren, maar als iets wat zijn verbazing wekt, wanneer hij het in een profetisch visioen waarneemt.” (Feinberg, VBOTI, 254)
“Het is ook van belang om op te merken” zegt Hindson, “dat het teken [dat God zelf voorstelt] gericht is tot ‘u’ (meervoud) en klaarblijkelijk niet tot Achaz die het aanbod verworpen had. In vers 13 had Jesaja gezegd: ‘Luister, huis van David’, en kennelijk moet het meervoudige ‘u’ in vers 14 verbonden worden met zijn antecedent in vers 13. Aangezien de context ons vertelt dat de voortzetting van het vorstenhuis van David op het spel staat tijdens de op handen zijnde invasie, zou het gepast zijn om het meervoudige ‘u’ te interpreteren als het ‘huis van David’ en de ontvanger van het teken.” (Hindson, II, 6)
Maar wanneer een vrouw op natuurlijke wijze zwanger wordt voldoet dat niet aan de criteria voor een bovennatuurlijk teken. De grote protestantse hervormer Johannes Calvijn slaat de spijker op zijn kop wanneer hij zegt:
Wat voor wonderlijks zei de profeet als hij sprak over een jonge vrouw die in verwachting zou raken door gemeenschap met een man? Het zou absoluut belachelijk geweest zijn om te beweren dat dit een teken of een wonder zou zijn. Laten we veronderstellen dat het wijst op een jonge vrouw die volgens de normale loop der natuur zwanger zou raken. Iedereen ziet dat het dom en verachtelijk zou zijn wanneer de profeet, nadat hij had aangekondigd dat hij over iets over vreemds en ongewoons zou gaan spreken, zou vervolgen met: “Een jonge vrouw zal zwanger worden”. Het is dus overduidelijk dat hij spreekt over een maagd die zwanger zal worden, niet volgens de normale loop der natuur, maar door de genadige inwerking van de heilige Geest. (Calvijn, CBPI, 248)
Een nadere beschouwing van enkele sleutelwoorden in Jesaja 7:14 bevestigt Calvijns opmerkingen. Het Hebreeuwse woord h-r-h dat in Jesaja 7:14 vertaald is met “zwanger worden” is “geen werkwoord of deelwoord, maar een vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord dat wordt verbonden met een actief deelwoord (‘baren’) en geeft aan dat het toneel zich in het heden voor de ogen van de profeet afspeelt” (Hindson, II, 8). Dit betekent dat het qua woord- en tijdsgebruik vergelijkbaar is met wat de Engel van de Heer eeuwen daarvoor in de woestijn tegen Hagar zei: “Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen” (Genesis 16:11). Kortweg, Jesaja 7:14 zou beter vertaald zijn als: ”Kijk, de maagd is zwanger en zal een zoon baren.” Edward Hindson merkt op:
Het is heel duidelijk dat de werkwoordstijd [van h-r-h] hier moet worden opgevat als een tegenwoordige tijd. … Het concept van het tijdselement is heel belangrijk voor de interpretatie van het gedeelte. Als het woord alma “maagd” betekent en als deze alma al zwanger is en op het punt staat een zoon te baren, dan is het meisje nog steeds maagd, hoewel ze moeder is. Bedenk wat een innerlijke tegenspraak dit is wanneer dit gedeelte niet verwijst naar de enige maagdelijke geboorte in de geschiedenis – die van Jezus Christus. De maagd is zwanger! Hoe kan ze nog maagd zijn en tegelijkertijd zwanger? De implicatie is dat dit kind op een wonderbaarlijke manier geboren zal worden zonder vader, en dat de moeder, ondanks de zwangerschap, nog steeds als maagd beschouwd wordt. Het woord alma “maagd” impliceert evenzeer een huidige toestand van maagdelijkheid als het woord h-r-h een huidige toestand van zwangerschap impliceert. Als het werkwoord in de toekomende tijd zou staan zou er geen garantie zijn dat de maagd die in de toekomst een zoon zou krijgen, nog steeds maagd zou zijn, en geen echtgenote. Maar als een “maagd” “zwanger is” en klaarblijkelijk zowel maagd als moeder is, kunnen we er niet onderuit om de conclusie te trekken dat dit een schildering van de maagdelijke geboorte is. (Hindson, II, 8)
Niessen concludeert: “Het teken in Jesaja 7:14 was dus iets wat de normale natuurlijke gang van zaken te boven ging. Het was geen zinloze vertoning, maar een teken dat toepasselijk was in de context en relevant voor de voortzetting van de met uitsterven bedreigde Davidische geslachtslijn. Het ingewikkeldste teken dat God kon geven, relevant voor de situatie, was een werkelijke biologische onmogelijkheid – de wonderbaarlijke ontvangenis van een zoon door een vrouw die in de biologische zin van het woord maagd was.” (Niessen, V’aI, 144)
3F. Bijkomende bewijzen: vertalingen
Het Griekse woord voor maagd is partenos, het Latijnse woord is virgo, en een regelmatig gebruikt Hebreeuwse woord is betula (maar of betula maagd betekent moet worden afgeleid uit de context ervan). R. Dick Wilson merkt op:
De LXX-versie van Jesaja 7:14, ontstaan rond 200 v. Chr., Matteüs 1:23 uit de eerste eeuw n. Chr., de Syrische Pesjitta uit de tweede eeuw n. Chr., en de Latijnse Vulgaat van Hiëronymus van rond 400 n. Chr. vertalen alma stuk voor stuk als partenos (maagd) of zijn equivalenten betula en virgo. …Aangezien de LXX in het geval van … Jesaja 200 jaar v. Chr. ontstond, moet worden verondersteld dat de vertaling van alma als partenos in … Jesaja 7:14 naar hun mening een verantwoorde vertaling was. Dus voor zover we over enig bewijs beschikken, wordt de aanhaling van Jesaja 7:14 in Matteüs 1:23 gerechtvaardigd door de manier waarop dit door Joden geïnterpreteerd werd tot op het moment van schrijven van Matteüs. (Wilson, M’AI, 310-315)
Of, zoals Henry Morris het zegt: “De geleerden die het Oude Testament vertaalden naar de Griekse Septuagintaversie gebruikten het algemene Griekse woord voor ‘maagd’ bij de vertaling van Jesaja 7:14. Hetzelfde deed Matteüs toen hij deze profetie citeerde (Matteüs 1:23) als vervuld in de maagdelijke geboorte van Christus.” (Morris, BHA, 36)
B. Witherington III stemt daarmee in en zegt: “We kunnen waarschijnlijk terecht opmerken dat het moeilijk of zelfs onmogelijk is om te zien waarom de vertalers van de LXX partenos gebruikten als de Griekse tegenhanger van alma wanneer dat woord normaal gesproken geen connotaties met maagdelijkheid opriep.” (Witherington III, BJ, 64)
De bewijzen ter ondersteuning van het gezichtspunt dat de alma in Jesaja’s profetie een jonge maagdelijke vrouw is, zijn doorslaggevend en overtuigend. Geen enkele andere uitleg doet recht aan het woord in zijn literaire, sociale, of historische context.



