Nu we bepaald hebben dat de alma van Jesaja 7:14 een jonge maagdelijke vrouw van huwbare leeftijd is, die op bovennatuurlijke wijze zwanger wordt, kunnen we veilig stellen dat de enige vrouw in de geschiedenis op wie dit criterium van toepassing is, de maagd Maria is, de moeder van Jezus Christus. Hindson heeft gelijk: “Alleen Maria de moeder van Jezus voldoet aan de voorwaarden voor de vervulling van deze profetie. De maagd is niet de vrouw van de profeet [nl. Jesaja], de vrouw van Achaz, de vrouw van Hizkia, en ook niet de een of andere onbekende. Zij is de enige moedermaagd van wie in de geschiedenis of de Schrift ooit melding gemaakt is.” (Witherington III, BJ, 9)
Sommige Bijbelwetenschappers hebben deze conclusie weersproken met het argument dat Jesaja’s profetie “een teken van God voor koning Achaz moest zijn over de aanstaande inlijving van zowel het Noordelijke als het Zuidelijke rijk door de koning van Assyrië. Aangezien de geboorte van dit kind een teken voor Achaz moest zijn, is het niet meer dan logisch om te concluderen dat de geboorte plaatsvond tijdens Achaz’ leven en regering. Dit vereist dus een onmiddellijke, gedeeltelijke vervulling van de profetie van Jesaja 7:14.” (Muller, VSC, 205-206) Hoewel dit gezichtspunt sommigen redelijk toeschijnt, denk ik dat het op diverse belangrijke punten wringt.
Ten eerste moet dit standpunt om succesvol te zijn uitgaan van een concept van alma waarbij niet vereist wordt dat Jesaja 7:14 maagdelijkheid veronderstelt. Anders komen de voorstanders van dit standpunt voor de onmogelijke opdracht te staan van het zoeken van twee maagdelijke geboortes in de geschiedenis – één in Achaz’ tijd en de andere bij de moeder van Jezus, Maria. We kennen echter inmiddels de overvloed aan bewijzen ten gunste van het tegenovergestelde standpunt: die laten duidelijk zien dat de betekenis van alma in Jesaja’s profetie een jonge maagdelijke vrouw van huwbare leeftijd is, en niet eenvoudigweg een jonge vrouw. Jesaja’s alma is duidelijk een maagd die zwanger is.
Ten tweede houdt het standpunt van de onmiddellijke vervulling niet genoeg rekening met de tijdsaanduidingen in Jesaja 7:14, die de conclusie ondersteunen dat de alma op hetzelfde moment maagd en zwanger is.
Ten derde, is de aard van het teken in Jesaja 7:14 bovennatuurlijk, en niet natuurlijk. Het feit dat een vrouw door middel van geslachtsgemeenschap met een man zwanger raakt zou ontoereikend zijn om de authenticiteit van Gods woord te bewijzen. Er is een wonder vereist, en een maagdelijke geboorte is dat wonder.
Ten vierde moest het Immanuël-kind dat uit de schoot van de maagd zou komen binnen de ruimere context van Jesaja 6-12 een God-mens zijn, en niet slechts een mens (zie Jesaja 9:6; 11:1-16). Geen enkele andere persoon in de geschiedenis kon hieraan voldoen, behalve Jezus van Nazaret.
En ten slotte wordt Jesaja’s profetische uitspraak in 7:14 gericht tot Achaz als het tijdelijke hoofd van de Davidische koningslijn, en tot de Davidische koningen die hem zouden volgen. De profetie was gedeeltelijk bedoeld om Achaz en zijn nakomelingen te tonen dat de Davidische lijn hen zou overleven. Dit ondersteunt eerder een vervulling in de verre toekomst dan in de nabije toekomst. De Bijbelwetenschapper Charles Feinberg maakt dit heel duidelijk:
Achaz en zijn hof vreesden het uitsterven van de Davidische dynastie en de vervanging van de koning door een Syriër. Echter, hoe langer de tijd die nodig was om de belofte aan het Davidische huis te vervullen, hoe langer de dynastie zou blijven bestaan om getuige te kunnen zijn van het werkelijkheid worden van de voorzegging. Alexander zegt heel passend: …”De voorzegging dat Christus in Juda geboren moest worden, uit Juda’s koninklijke geslacht, zou een teken kunnen zijn voor Achaz dat het koningschap niet in zijn dagen ten onder zou gaan. En het feit dat dit teken zover in de toekomst lag, maakte het allerminst ongerijmd of ongepast, want hoe verder het in de toekomst lag, hoe sterker de belofte van het voortbestaan van Juda, waarvoor dit teken de garantie was.” De conclusie is dus onvermijdelijk dat “…er geen reden, grammaticaal, historisch of logisch, voor twijfel is wat het belangrijkste punt betreft, dat de kerk in alle eeuwen gelijk gehad heeft door dit gedeelte als een teken en een expliciete voorzegging van de wonderbaarlijke ontvangenis en geboorte van Jezus Christus te beschouwen.”(Feinberg, VBOTI, 258)
We kunnen dus zien dat de in het Nieuwe Testament aangevoerde leer van de maagdelijke geboorte van Jezus Christus overeenstemt met de leer en de messiaanse profetieën van het Oude Testament.



