Critici beweren nogal eens dat, omdat er in het Nieuwe Testament behalve door Matteüs en Lucas nergens naar de maagdelijke geboorte verwezen wordt, deze leer niet essentieel was voor de boodschap van de nieuwtestamentische kerk. Ik geloof dat deze critici kortzichtig zijn, en dat er ook elders in het Nieuwe Testament verwezen wordt naar de maagdelijke geboorte (zie hieronder). Maar allereerst moeten we zien waar de gebreken in hun redenering zitten.
William Childs Robinson, emeritushoogleraar in de historische theologie aan het Columbia Theological Seminary wijst erop dat “wat expliciet is in Matteüs en Lucas, impliciet is in Paulus en Johannes.” (Robinson, WSYTIA, g.p.)
Robert Gromacki schrijft:
Het is niet houdbaar om van zwijgen te redeneren naar ongeloof of naar een onbekend-zijn met de leer. De apostelen hielden geen verslag bij van alles wat ze onderwezen of wisten (vgl. Johannes 20:30). Het zogenaamde argumentum ex silentio van de liberaal kan zelfs als een boemerang op hem terugvallen. Betekent het feit dat Paulus geen enkele menselijke vader van de persoon Jezus vermeldde, dat hij geloofde dat Jezus geen menselijke vader had? Over het algemeen geldt: wie zwijgt, stemt toe. Als Paulus en de anderen niet in de maagdelijke geboorte geloofden, zouden ze de eerdere geboorteverhalen dan niet gecorrigeerd hebben? Het zwijgargument is in beide richtingen te gebruiken. Feitelijk kan geen enkele bevestiging of ontkenning ooit gebaseerd zijn op zwijgen. (Gromacki, VB, 183)
Clement Rogers schreef:
Hoewel het [verhaal over de maagdelijke geboorte] inderdaad aan het begin van zowel het eerste als het derde evangelie voorkomt, is het afwezig in dat van Marcus, of zoals algemeen gezegd wordt: “Marcus weet er niets van”, hoewel zijn evangelie als eerste geschreven werd en door de andere twee werd gebruikt. Marcus’ evangelie, weten we op goed gezag, was zijn weergave van wat hij Petrus had horen prediken. Hij was zijn “vertolker”. Het vertelt wat Petrus nuttig of noodzakelijk vond in zijn openbare prediking, vergelijkbaar met Paulus’ prediking op de Areopagus in Athene, of in Jeruzalem, Antiochië en Rome.
Wel, de reden waarom de kwestie van de geboorte van onze Heer geen onderwerp van gesprek was bij dergelijke gelegenheden ligt voor de hand, zeker zo lang zijn moeder nog leefde en de toehoorders haar waarschijnlijk persoonlijk kenden. Waar het om ging was de leer die Christus gebracht had, de tekenen die Hij gedaan had, en bovenal, zoals we kunnen afleiden uit de plek die ze inneemt, zijn lijdensgeschiedenis. (Rogers, CM, 99-100)
Anderzijds stelt Millard Erickson:
Er is inderdaad iets in Marcus’ evangelie dat door sommigen gezien wordt als een aanwijzing dat de schrijver bekend was met de maagdelijke geboorte. Dat vinden we in Marcus 6:3. In het parallelgedeelte vertelt Matteüs dat de mensen van Nazaret vroegen: “Hij is toch de zoon van de timmerman?” (Matteüs 13:55); en Lucas heeft: “Dat is toch de zoon van Jozef?” (4:22). Het verslag in Marcus luidt echter: “Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?” Het lijkt alsof Marcus zijn best doet om niet naar Jezus te verwijzen als de zoon van Jozef. Anders dan de lezers van Matteüs en Lucas, die zich al in het eerste hoofdstuk van deze beide evangeliën bewust geworden waren van de maagdelijke geboorte, konden Marcus’ lezers dat op geen enkele wijze weten. Daarom koos hij zijn woorden uiterst zorgvuldig, om niet de verkeerde indruk te geven. Het cruciale punt voor ons is dat Marcus’ verslag geen enkele grond biedt voor de conclusie dat Jozef de vader van Jezus was. Dus hoewel Marcus ons niet over de maagdelijke geboorte vertelt, spreekt hij haar zeker niet tegen. (Erickson, CT, deel 2, 750-751)
Zelf geloof ik dat zelfs de apostel Johannes naar een wonderbaarlijke geboorte verwijst met zijn gebruik van het woord “eniggeboren”. De Bijbeluitlegger John R. Rice hangt dit gezichtspunt aan:
Jezus noemde zichzelf herhaaldelijk de “eniggeboren Zoon” van God. Nu is het woord “geboren” een woord uit de menselijke geslachtsregisters, een term die verwijst naar het mannelijke aandeel in het voortbrengen van een kind. Het verwijst naar de fysieke geboorte. Jezus hield vol dat Hij niet uit Jozef, maar uit God geboren was. Hetzelfde woord, monogenes, wordt in het Nieuwe Testament zes keer gebruikt ter aanduiding van Jezus als de eniggeborene van God, en tweemaal gebruikt Jezus het voor zichzelf! Let erop dat Jezus niet beweert dat Hij zomaar iemand is die uit God geboren is. Nee, Hij beweert de enige te zijn die ooit zo geboren is. Hij is de enige geboren Zoon van God. Niemand anders was ooit uit een maagd geboren. In geestelijke zin kunnen we zeggen dat christenen zijn “wedergeboren tot een levende hoop” (1Petrus 1:3), maar in de zin waarin Jezus uit God geboren werd, is nooit iemand geboren. Jezus beweerde duidelijk dat Hij lichamelijk uit God geboren was, en niet uit de een of andere menselijke vader. (Rice, IJG, 22-23)
Het geslachtsregister van de apostel Johannes betreft in wezen, vanuit het oogpunt van de goddelijke eeuwigheid, “het begin”, en besteedt daarom geen aandacht aan de maagdelijke geboorte: “In het begin was het Woord … en het Woord is mens geworden” (Joh 1:1, 14).
Voor Paulus geldt hetzelfde: “Paulus kende Lucas heel goed. Hij was lange tijd Paulus’ metgezel op zijn reizen, hij was bij hem in Rome, en aangezien Lucas onze voornaamste autoriteit voor het verhaal van de geboorte van de Heer is, moet Paulus ervan geweten hebben. Het is dan ook heel natuurlijk dat hij, in die wetenschap, over Hem sprak zoals hij deed toen hij zei: ’God [heeft] zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw’“ (Rogers, CM, 101), en niet uit een man.
Is het niet interessant hoeveel mensen elk jaar weer Kerst vieren zonder zich volledig bewust te zijn van het unieke van de gebeurtenis die ze vieren: een baby die geboren werd uit een vrouw die een maagd was! Zelfs de roddelblaadjes hadden zoiets niet kunnen verzinnen.



