Belangrijk in de beschouwing van de evangelieverhalen is de tijd waarin ze geschreven werden. Dankzij de vroege datering van de evangeliën was er onvoldoende tijd voor het ontstaan van een mythe rond de geboorte van Christus. Er moeten in de vroege kerk dus getuigen te vinden zijn van de leer van de maagdelijke geboorte. Daarbij komen twee vragen op: hoe kon het idee van een maagdelijke geboorte zo snel opgang doen als het niet op feiten berustte? En: als de evangeliën niet historisch waren, hoe kan het dan dat ze al zo vroeg algemeen aanvaard werden?
Over het geloof van de vroege kerk in de maagdelijke geboorte schrijft Gresham Machen: “Zelfs … al was er in het Nieuwe Testament geen woord over het onderwerp te vinden, dan nog zou het tweede-eeuwse getuigenis aantonen dat het geloof in de maagdelijke geboorte, om het zacht uit te drukken, ruim voor het einde van de eerste eeuw al opgang gedaan had.” (Machen, VBD, 44)
De Apostolische Geloofsbelijdenis was een van de eerste weergaven van de geloofspunten van de vroege kerk. In verband met de maagdelijke geboorte zegt ze over Jezus: “Die ontvangen is van de heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.” Over dit universeel aanvaarde geloofsartikel van de kerk schrijft Erickson:
De vorm [van de Apostolische Geloofsbelijdenis] die wij nu gebruiken ontstond in de vijfde of zesde eeuw in Gallië, maar haar wortels gaan veel verder terug. Feitelijk is ze gebaseerd op een oude Romeinse doopformule. De maagdelijke geboorte wordt zowel in de oude als de nieuwere vorm bevestigd. Kort na het midden van de tweede eeuw was de oude vorm al in gebruik, niet alleen in Rome, maar ook bij Tertullianus in Noord-Afrika en bij Ireneüs in Gallië en Klein-Azië. De aanwezigheid van de leer van de maagdelijke geboorte in een vroeg belijdenisgeschrift van de vooraanstaande kerk van Rome is uiterst belangwekkend, zeker gezien het feit dat in een dergelijke geloofsbelijdenis zeker geen nieuwe leer zou worden opgenomen. (Erickson, CT, deel 2, 747)
In de vroege kerk waren enkelen die de maagdelijke geboorte verwierpen. Sommigen van deze ketters hoorden bij de joods-christelijke sekte van de Ebionieten. Hoewel sommige Ebionieten de maagdelijke geboorte aanvaardden, deden anderen dat niet. Onder hen die de maagdelijke geboorte ontkenden waren degenen die bezwaren hadden tegen de kerkelijke uitleg van het gedeelte in Jesaja over de maagd die een zoon zou baren (Jesaja 7:14). Volgens hen moest het vers vertaald worden als “een jonge vrouw”. (Rogers, CM, 105) Maar met uitzondering van de Ebionieten en een handvol anderen stond de kerk achter de maagdelijke geboorte van Christus en gaf deze door als onderdeel van de orthodoxe leer. James Orr schrijft: “Behalve de Ebionieten en een stel gnostische sekten is er geen enkele christen uit oude tijden bekend die de geboorte van Jezus uit de maagd Maria niet aanvaardde als onderdeel van zijn geloof. …We beschikken over de ruimste bewijzen dat dit geloof deel uitmaakte van het algemene geloof van de Kerk.” (Orr, VBC, 138)
Sprekend over de oude kerk zegt Aristides: “Alles wat we weten van de dogmatiek van de vroege tweede eeuw stemt overeen met het geloof dat de maagdelijkheid van Maria in die tijd onderdeel vormde van het geformuleerde christelijke geloof.” (Aristides, AA, 25)



