Zoals te verwachten is, zijn er ook argumenten tegen de maagdelijke geboorte. Deze werden hoofdzakelijk opgeworpen door enkele Joden. Het is hier onze bedoeling om te laten zien dat de geboorte van Jezus in de begindagen van de kerk al een strijdpunt was voor mensen van buiten, en dat deze strijd nooit was ontstaan wanneer de kerk de wonderbaarlijke geboorte van Christus niet geleerd had.
Ethelbert Stauffer zegt: “In een geslachtsoverzicht van voor 70 n. Chr. wordt Jezus vermeld als ‘de bastaard van een gehuwde vrouw.’ De evangelist Matteüs was klaarblijkelijk bekend met dergelijke lijsten en streed ertegen. Latere rabbi’s noemden Jezus kortweg de zoon van een overspelige. Ze beweerden ook precies ‘de naam van de onbekende vader: Panthera’ te kennen. In een oude rabbijnse tekst vinden we diverse vermeldingen van Jezus ben Panthera, en de eclectische platonist Celcus vertelt in 160 allerlei roddelverhaaltjes over Maria en de legionair Panthera.” (Stauffer, JHS, 17)
In de Toldoth Jeschu, een vijfde-eeuws (of later) verzonnen verhaal over Christus wordt geleerd dat Jezus “van onwettige oorsprong is, door de eenwording van zijn moeder met een soldaat genaamd Panthera.” (Orr, VBC, 146)
De Joodse scepticus Hugh Schonfield schrijft: “R. Shimeon Ben Azzai zei: ‘Ik heb een genealogierol gevonden in Jeruzalem waarin vermeld stond: “Die-en-die is een bastaard van een overspelige”.’” (Schaff, HCC, 139) R. Shimeon leefde aan het einde van de eerste en het begin van de tweede eeuw n. Chr. Volgens Schonfield moet deze rol er al geweest zijn in de tijd van de inname van Jeruzalem in 70 n. Chr. In de oudere Joodse verslagen wordt Jezus’ naam weergegeven met de woorden “die-en-die”. Schonfield zegt vervolgens: “Het zou geen zin hebben [deze rol] te vervaardigen tenzij het christelijke origineel (van de geslachtsrol) op de een of andere manier beweerde dat de geboorte van Jezus niet gewoon was.” (Schonfield, AH, 139, 140) Op basis van de aanhaling van R. Shimeon zegt Schonfield dat de aanklacht tegen Jezus “dat Hij de bastaard van een overspelige was, teruggaat tot een vroeg moment”. (Schonfield, AH, 140)
Origenes (ca. 185 – ca. 254 n. Chr.) schrijft in Contra Celsum:
Laten we echter terugkeren naar de woorden die de Jood in de mond gelegd worden, waar van de moeder van Jezus wordt gezegd dat ze de deur was gewezen door de timmerman met wie ze verloofd was omdat ze schuldig bevonden was aan overspel en een kind had bij een soldaat, een zekere Panthera. Laten we ter overweging nemen of degenen die de mythe verzonnen hebben dat de maagd en Panthera overspel pleegden en dat de timmerman haar de deur wees, niet blind waren toen ze dit alles verzonnen om maar van de wonderbaarlijke ontvangenis door de heilige Geest af te zijn. Want vanwege het bijzonder wonderbaarlijke karakter hadden ze het verhaal ook wel anders kunnen vervalsen, zonder, als het ware, onbedoeld toe te geven dat Jezus niet uit een normaal huwelijk geboren werd. Het was onvermijdelijk dat degenen die de wonderbaarlijke geboorte van Jezus niet aanvaardden, de een of andere leugen zouden verzinnen. Maar het feit dat ze dit niet overtuigend deden, maar het deel van het verhaal dat Jozef niet degene was die Jezus verwekte bij de maagd, lieten staan, laat de leugen eruit springen voor mensen die zulke verzinsels kunnen opmerken en doorzien. Is het redelijk dat een man die zulke grote dingen voor de mensheid durfde verrichten, opdat, in zoverre het in Hem was, allen die een goddelijk oordeel tegemoet gingen, van het kwaad zouden wijken, geen wonderbaarlijke geboorte gehad zou hebben, maar een van de meest onwettige en schandelijke geboortes die mogelijk is? … Het is dan ook waarschijnlijk dat deze ziel, die meer goeddeed tijdens zijn leven in het vlees dan vele anderen (om problemen te vermijden zeg ik niet “allen”) een lichaam nodig had dat zich niet alleen onderscheidde van de lichamen van de mensen, maar bovendien superieur was aan alle andere. (Origenes, CC, 1:32-33)
Deze tegenspraak komt zelfs in de evangeliën naar voren: “’Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?’ En ze namen aanstoot aan hem” (Marcus 6:3). “Dit verslag”, schrijft Ethelbert Stauffer, “dat alleen voorkomt in Marcus, doet volkomen recht aan de situatie. De Joden hadden strenge regels voor de naamgeving. Een Jood werd naar zijn vader genoemd (Jochanan ben Sakkai, bijvoorbeeld), zelfs wanneer zijn vader voor zijn geboorte gestorven was. Hij werd alleen naar zijn moeder genoemd als zijn vader onbekend was.” (Schonfield, AH, 16)
Bovendien:
Uit de Logia vernemen we dat Jezus werd uitgemaakt voor “veelvraat en dronkaard”. Er moeten gronden zijn geweest voor deze beschuldiging. Want ze sluit aan bij alles wat we weten over Jezus’ instelling en over de reactie van de Farizeeën daarop. Welnu, onder de Joden in Palestina zou deze specifieke belediging naar het hoofd geslingerd zijn van iemand die geboren was uit een onwettige relatie en die door zijn levenswijze en godsdienstig gedrag deze smet van zijn geboorte verried. Dit was de zin waarin de Farizeeën en hun volgelingen deze woorden tegen Jezus gebruikten. Ze bedoelden ermee: “Hij is een bastaard.” (Schonfield, AH, 16)
De vroege Joodse verwijzingen naar de veronderstelde illegitimiteit van Christus (voor 70 n. Chr.) tonen aan dat er twijfel bestond aan wie zijn ouders waren. Dit is een bewijs dat de heel vroege christelijke kerk, op zijn hoogst veertig jaar na zijn dood iets ongewoons over zijn geboorte geleerd moet hebben – namelijk, dat Hij geboren was uit een maagd.



