Als God mens werd, zouden we verwachten dat Hij de meest volhardende en gevreesde vijand van de mens, de dood, zou overwinnen.
1B. Zijn sterven
Jezus werd niet gedwongen om afstand te doen van zijn leven. Zoals blijkt uit Matteüs 26:53 en 54, had Hij macht om te doen wat Hij wilde. Johannes 10:18 bevestigt dit: “Niemand neemt mijn leven, Ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.” We zien dat Christus uit vrije wil stierf voor de zonden van alle mensen.
W. H. Griffith Thomas getuigt dat Jezus’ sterven “niet de dood van een zelfmoordenaar was, want zei Hij niet: ‘Ik geef het zelf’? Zijn sterven was volkomen vrijwillig. Wij moeten lijden; Hij had niet hoeven lijden. Eén woord van Hem was genoeg geweest om zijn leven te redden. Zijn dood was ook geen ongelukkig toeval, want het is duidelijk dat zijn dood voorzien, voorzegd, en voorbereid was, op verschillende manieren. En het was zeker niet de dood van een misdadiger, want er waren geen twee getuigen te vinden die overeenstemden in hun aanklacht tegen Hem. Pilatus verklaarde dat hij geen schuld in Hem vond, en zelfs Herodes had niets tegen Hem aan te voeren. Dit was dus geen normale terechtstelling.” (Thomas, CIC, 61)
Een ander belangrijk aspect van zijn dood wordt vermeld door W. C. Robinson: “Want geen enkele mens in de geschiedenis heeft ooit de macht bezeten om zijn geest uit eigen wil over te geven, zoals onze Heer Jezus deed (Lucas 23:46). … Lucas en Johannes gebruiken werkwoorden die alleen maar zo uitgelegd kunnen worden dat Jezus op wonderbaarlijke wijze … zijn geest overgaf aan God, nadat Hij de volle prijs voor de zonde betaald had. Er gebeurde niet alleen een wonder in de tuin op de ochtend van Pasen, maar ook die vrijdag op Golgota.” (Robinson, WSYTIA, 85-86)
2B. Zijn begrafenis
“Toen de avond gevallen was, arriveerde er een rijke man die uit Arimatea afkomstig was. Hij heette Josef en was ook een leerling van Jezus geworden. Hij meldde zich bij Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. Hierop gaf Pilatus bevel het aan hem af te staan” (Matteüs 27:57-58).
“Nikodemus, die destijds ‘s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra” (Johannes 19:39).
“Josef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis en wikkelde Hem in het linnen. Daarna legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang. Maria uit Magdala en Maria de moeder van Joses keken toe in welk graf Hij werd gelegd” (Marcus 15:46-47).
“Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht” (Lucas 23:56).
“Ze [de wacht van de Farizeeën] gingen erheen en beveiligden het graf door het te verzegelen en er bewakers voor te zetten” (Matteüs 27:66)
3B. Zijn opstanding
“Inderdaad, wanneer we alle bewijzen bij elkaar nemen,” schrijft B. F. Westcott, ”is het niet teveel gezegd dat geen enkele historische gebeurtenis beter of veelzijdiger ondersteund wordt dan de opstanding van Christus. Het idee van gebrekkigheden in het bewijs ervan kan slechts zijn ingefluisterd door de vooronderstelling dat ze niet heeft plaatsgevonden.” (Westcott, GR, 4-6)
Henry Morris schreef: “Het feit van zijn opstanding is de allerbelangrijkste gebeurtenis van de geschiedenis en vandaar ook, terecht, een van de meest zekere feiten uit de hele geschiedenis.” (Morris, BHA, 46)
Jezus voorzegde niet alleen zijn dood, maar ook zijn lichamelijke opstanding. Hij zei: “Breek deze tempel maar af, en Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen” (Johannes 2:19). Hier verwijst tempel naar zijn lichaam.
Verder schrijft Morris: “Van iedereen die ooit geleefd heeft, overwon alleen Hij de dood zelf. Volgens alle regels van de bewijsvoering kan zijn lichamelijke opstanding uit het graf als het best bewezen feit van de geschiedenis worden aangemerkt. “Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft” (Johannes 11:25). “Omdat Ik leef, zult ook u leven” (Johannes 14:19 Telos). (Morris, BHA, 28)
“De opstanding van Christus is het zegel van onze opstanding. De genezing van zieken geeft ons niet het recht te geloven dat Christus ons vandaag de dag allemaal zal genezen, en de opwekking van Lazarus vormde geen garantie van onze onsterfelijkheid. Het is slechts de opstanding van Christus als eersteling waardoor het graf – in vooruitzien – geopend wordt voor de gelovige, en tot het eeuwige leven. Omdat Hij is opgestaan, zullen wij opstaan (Romeinen 8:11).” (Ramm, PCE, 185-186)
Na Jezus’ opstanding konden de apostelen door zijn kracht doden opwekken (Handelingen 9:40, 41). Zodoende gaf Hij na zijn sterven anderen het leven.
Dit alles toont aan dat Jezus leeft (Hebreeën 13:8) en dat nu geldt: “Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan” (Handelingen 1:11).
“Maar Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God en de beloofde Redder van de wereld, heeft de dood overwonnen.” (Morris, BHA, 46)



