2B. Het getuigenis van zijn vrienden

De Bijbel brengt de inconsequenties van al zijn personages aan het licht. Geen van de grote Joodse helden wordt afgeschilderd zonder enige onvolkomenheid, zelfs David, Israëls grootste koning, of Mozes, de grootste bevrijder van de Hebreeën, niet. In hoegenaamd alle boeken van het Nieuwe Testament komen de tekortkomingen van de apostelen ter sprake, en toch vinden we nergens één vermelding van een zonde in Christus’ leven. Dit is nog ongelooflijker wanneer we ons realiseren dat Jezus voor het grootste deel van zijn drie-en-een-halfjarige missie dagelijks volgelingen om zich heen had. Wanneer we bedenken dat zijn discipelen gedurende deze tijd in nauw contact met Hem leefden, en dat hun Joodse erfgoed de nadruk legde op de zondigheid van de mens en de noodzaak van Gods verlossende optreden, is het nog ongelooflijker dat ze geen enkel gebrek in hun meester aantroffen. Er zouden hun toch wel een paar misstappen zijn opgevallen tijdens hun dienst onder Jezus’ leiding, maar volgens hun getuigenis waren die er niet.

In hun nauwe relatie met Hem zagen ze in Hem nooit de zonden die ze in zichzelf zagen. Ze werkten elkaar op de zenuwen, ze mopperden en maakten ruzie, maar nooit zagen ze deze dingen bij Jezus. Vanwege hun strenge Joodse achtergrond zou het hun zwaar gevallen zijn om te zeggen dat Jezus zonder zonde was wanneer Hij dat niet werkelijk was.

De metgezellen die Jezus het naast stonden, Petrus en Johannes, getuigen van zijn zondeloosheid:

  • 1Petrus 1:19: “…maar met kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus.”
  • 1Petrus 2:22: “…die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam.”
  • 1Johannes 3:5: “U weet dat Jezus verschenen is om de zonden weg te nemen; er is in Hem geen zonde.”

Johannes ging zelfs zo ver om te zeggen dat iemand die van zichzelf zegt dat hij zonder zonde is, een leugenaar is en bovendien God een leugenaar noemt. Toch getuigde Johannes ook van het zondeloze karakter van Jezus toen hij zei: “In Christus is geen zonde.”

Zelfs de persoon die verantwoordelijk was voor Jezus’ dood erkende Jezus’ onschuld en vroomheid. Na Jezus te hebben verraden erkende Judas dat de Heer rechtvaardig was. Hij kreeg diep berouw en gaf toe: “Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren” (Matteüs 27:4).

Ook de apostel Paulus getuigde van Jezus’ zondeloosheid, toen hij zei: “God heeft Hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door Hem rechtvaardig voor God konden worden” (2Korintiërs 5:21). Over dit gedeelte schrijft Murray Harris:

Het lijkt erop of Paulus meer wilde zeggen dan dat Christus tot zondoffer gemaakt werd, maar toch minder dan dat Christus een zondaar werd. Zo volmaakt was de eenwording van de zondeloze Christus met de zonde van de zondaar, inclusief de afschuwelijke schuld en het vreselijke gevolg daarvan, het gescheiden-zijn van God, dat Paulus de diepe woorden kon spreken: “God maakte Hem voor ons tot zonde.”

Paulus verklaring van Christus’ zondeloosheid kan worden vergeleken met de opmerkingen van Petrus (1Petrus 2:22, een citaat van Jesaja 53:9), Johannes (1Johannes 3:5), en de schrijver van Hebreeën (Hebreeën 4:15; 7:26). Net zoals “de gerechtigheid van God” voor ons van buitenaf komt, kwam de zonde waarmee Christus zich volkomen gelijkstelde voor Hem van buitenaf. Hij was volkomen onbekend met de zonde, wat niet zo geweest zou zijn wanneer Hij ooit een zondige houding had gehad of een zondige daad had gedaan. (Harris, 2C, deel 10, 354)

De schrijver van de Hebreeënbrief voegt zijn stem bij dit koor en zegt: “Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat Hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat Hij niet vervallen is tot zonde” (Hebreeën 4:15). Nieuwtestamenticus Philip Hughes haalt de betekenis van dit gedeelte bijzonder sprekend en krachtig naar voren:

Beproeving op zich is neutraal: beproefd worden wijst noch op deugd, noch op zonde, want de juiste connotatie van beproeving is toetsing, en er ligt deugdzaamheid in het weerstaan en overwinnen van een beproeving, terwijl er zonde ligt in het toegeven eraan. De ervaring van onze hogepriester kwam in alle opzichten overeen met die van ons. Van het begin tot het eind werd Hij op de proef gesteld, of het nu was door de verleidingen van zelfbehoud, volksroem of macht tijdens de aanval van Satan in de woestijn (Matteüs 4:1 vv), door de verzoeking in Getsemané om zich terug te trekken zodat Hij het afschuwelijke dat voor Hem lag niet zou hoeven doormaken (Matteüs 26:38 vv), of door de terging van het: “Als je de Zoon van God bent, red jezelf dan maar en kom van dat kruis af!” (Matteüs 27:40 vv) terwijl Hij vreselijke pijn leed aan het kruis…. Zijn hele aardse leven werd gekenmerkt door toetsing en beproeving: bij het naderen van Golgota sprak Hij dan ook over de leden van de intieme kring van apostelen als over degenen die in al zijn beproevingen steeds bij Hem waren gebleven (Lucas 22:28). En door deze verleidingen heen werd Hij niet alleen tot de overwinning gebracht, maar leerde Hij ook intens meevoelen met onze zwakheden, terwijl Hij tegelijkertijd liet zien dat onze menselijke zwakheid de gelegenheid is voor God om zijn kracht en de triomf van zijn genade te tonen (2Korintiërs 12:9,10).

Dat onze hogepriester de strenge toets niet slechts doorstond maar ook de volkomen overwinning over elke beproeving behaalde, wordt duidelijk uit de toevoeging van de woorden met dit verschil dat Hij niet vervallen is tot zonde. De implicaties van deze bijzin zijn van groot belang. Want als Jezus in zonde gevallen was door toe te geven aan de verleidingen, had Hij zelf verzoening nodig gehad, en had Hij niet hoger gestaan dan de vroegere hogepriesters die eerst een offer voor hun eigen zonde moesten brengen (Hebreeën 7:27), en was Hij net zo min bekwaam geweest als zij tot het bewerken van eeuwige verlossing voor anderen. Bovendien, wanneer Hij, die door zichzelf te offeren slachtoffer en offeraar in één was, bevlekt was geweest met zonde, had Hij niet kunnen dienen als Gods Lam zonder smet of gebrek, en was zijn offer onaanvaardbaar geweest (vgl. Johannes 1:29; 1Petrus 1:19; Efeziërs 5:2). (Hughes, CEH, 172-173)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate