3B. Het getuigenis van zijn vijanden

Een van Jezus’ medegekruisigden getuigde van zijn zondeloosheid. In Lucas 23:41 bestrafte de ene dief de andere met de woorden: “Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.”

Ook Pilatus kwam tot de conclusie dat Jezus niets verkeerds gedaan had. Nadat hij Hem ondervraagd had en de valse getuigenissen tegen Hem in overweging genomen had, zei Pilatus tegen de godsdienstige leiders en de rest van het volk: “U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik Hem, toen ik Hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u Hem beticht schuldig heb bevonden” (Lucas 23:14). Zelfs toen de woedende menigte schreeuwde om Jezus’ terechtstelling, vroeg Pilatus ongelovig: “Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor Hij de doodstraf verdient” (Lucas 23:22).

De Romeinse centurio die bij Jezus’ kruis stond verklaarde: “Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige” (Lucas 23:47).

Jezus’ vijanden brachten regelmatig beschuldigingen tegen Hem in met de bedoeling Hem te laten veroordelen. Maar ze slaagden er niet in hun zaak rond te krijgen (Marcus 14:55, 56). Marcus maakt ons deelgenoot van vier van deze beschuldigingen (Marcus 2:1-3:6).

Ten eerste beschuldigden Jezus’ critici Hem van godslastering omdat Hij iemands zonden vergeven had. Echter, als Jezus goddelijk was, had Hij gezag en macht om vergeving te schenken.

Ten tweede waren ze ontsteld over Jezus’ contacten met de “onreinen” – zondaars, tollenaars, prostituees enzovoort. Veel van de godsdienstige leiders vonden dat rechtvaardigen zulke slechte mensen uit de weg moesten gaan. Jezus beantwoordde hun aantijging door zichzelf te vergelijken met een dokter die gekomen was om zieken te genezen (Marcus 2:17)

Ten derde werd Jezus beschuldigd van het praktiseren van een verwaterde vorm van het judaïsme, omdat Hij en zijn discipelen niet vastten zoals de Farizeeën. Jezus reageerde met de woorden dat het niet nodig was dat zijn discipelen vastten zolang Hij bij hen was, maar dat ze zouden beginnen met vasten wanneer Hij er niet meer was.

En ten slotte hadden Jezus’ critici iets aan te merken op het feit dat Hij hun overlevering van het niet werken op sabbat schond door op die heilige dag mensen te genezen en koren te plukken. Jezus verdedigde zijn gedrag echter door te wijzen op de gebreken in de overlevering van zijn critici. Jezus onderwierp zich absoluut aan de wet van God. Maar anderzijds was Hij “Heer over de sabbat”, en daarom koos Hij ervoor zich niet te houden aan menselijke overleveringen die de ware interpretatie en inhoud van Gods wet juist ondermijnden.


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate