1C. Het oordeel van de geschiedenis

Al 2000 jaar worden mensen aangetrokken tot Jezus’ volmaakte leven, dat vele kritische blikken getrotseerd heeft en hart en ziel van mensen uit alle lagen van de maatschappij en uit allerlei godsdienstige tradities gewonnen heeft. Zo wordt Jezus in de wereldgodsdienst van de Islam gezien als zondeloos. Volgens de Koran (Soera Maria, 19) kwam de engel Gabriël bij Maria en vertelde haar dat haar zoon, Jezus, “zonder gebreken”, dat wil zeggen, vrij van zonde, zou zijn. Kerkhistoricus Philip Schaff verzekert ons over Christus: “Ziehier het allerheiligste van de mensheid.” (Schaff, HCC, 107).

“Nooit leefde er een onschuldiger wezen op aarde. Hij kwetste niemand, Hij buitte niemand uit. Hij sprak nooit één ongepast woord, Hij beging nooit een verkeerde daad.” (Schaff, PC, 36-37)

“De eerste indruk die we van het leven van Jezus krijgen is er één van volmaakte onschuld en zondeloosheid te midden van een zondige wereld. Hij, en Hij alleen, droeg de vlekkeloze reinheid van de kindsheid onbevlekt mee door zijn jeugd en volwassenheid. Vandaar dat het lam en de duif passende symbolen voor Hem zijn.” (Schaff, PC, 35)

“Het is, met één woord, de absolute volmaaktheid die zijn karakter ver boven dat van alle andere mensen uittilt en het maakt tot een uitzondering op een universele regel, een zedelijk wonder in de geschiedenis.” (Schaff, HCC, 107) “Hij is de incarnatie van de ideale maatstaf van deugdzaamheid en heiligheid, en het grootste voorbeeld voor alles wat zuiver en goed en eervol is in de ogen van God en mens.” (Schaff, PC, 44)

“Dit was Jezus van Nazaret, waarlijk mens naar lichaam, ziel, en geest, en toch anders dan alle andere mensen; die vanaf zijn vroege kindsheid tot in zijn rijpe volwassenheid een uitzonderlijk en oorspronkelijk karakter vertoonde, die in ononderbroken eenheid met God verkeerde, overvloeiend van liefde voor de mens, vrij van enige zonde en dwaling, onschuldig en heilig, toegewijd aan de edelste doeleinden, die alle deugden in volmaakte harmonie onderwees en praktiseerde, die het zuiverste leven deed samengaan met het meest weergaloze sterven, en die sindsdien erkenning vindt als het enige volmaakte voorbeeld van goedheid en heiligheid.” (Schaff, PC, 73)

John Stott voegt hieraan toe: “Dit absolute afzien van zichzelf in de dienst aan God en mensen is wat de Bijbel liefde noemt. In de liefde is geen zelfzucht. Het wezen van liefde is zelfopoffering. Incidentele flitsen van dergelijke edelmoedigheid sieren zelfs de slechtste mens, maar het leven van Jezus straalde het uit met een nooit verflauwende, fonkelende glans. Jezus was zondeloos omdat Hij “zelfloos” was. Een dergelijke onzelfzuchtigheid is liefde. En God is liefde.” (Stott, BC, 44-45)

Wilbur Smith zegt: “De meest opvallende eigenschap van Jezus tijdens zijn aardse leven was die waarin we allemaal erkennen tekort te schieten, en die toch door elk mens herkend wordt als de kostbaarste eigenschap die een mens kan hebben, namelijk volmaakte goedheid, of om het anders te zeggen: volkomen reinheid, werkelijke heiligheid, en, in Jezus’ geval, niets minder dan zondeloosheid.” (Smith, HYCH, 7)

Een zondeloos leven leiden was geen kleinigheid, en toch deed Jezus dat. Wilbur Smith merkt daarover op: “Vijftien miljoen minuten leven op deze aarde, te midden van een boos en ontaard geslacht – en elke gedachte, elke daad, elke bedoeling, elk werk, persoonlijk en openbaar, vanaf het moment dat Hij als baby zijn ogen opende tot dat Hij zijn laatste adem uitblies aan het kruis, droeg Gods goedkeuring weg. Geen enkele maal hoefde onze Heer enige zonde te belijden, want Hij had geen zonde.” (Smith, HYCH, 8-9)

Over Jezus’ bekendste en meest geprezen toespraak merkt Thomas Wright treffend op: “De Bergrede is Christus’ biografie. Elke lettergreep had Hijzelf al in daden neergeschreven. Deze rede was slechts een woordelijke vertaling van zijn leven.” (Mead, ERQ, 60)

Bernard Ramm zegt: “Jezus leidde dit volmaakte leven van vroomheid en heiligheid omdat Hij God in het vlees was.” (Ramm, PCE, 169)

Dit is belangrijk, want, zoals Henry Morris aangeeft: “Als God zelf, vleesgeworden in zijn enige Zoon, niet zou kunnen voldoen aan de maatstaven van zijn eigen heiligheid, dan was het volkomen nutteloos om elders in het heelal naar zingeving en verlossing te zoeken.” (Morris, BHA, 34)

Maar Griffith Thomas heeft gelijk wanneer hij zegt dat in Jezus volkomen voldaan wordt aan de goddelijke maatstaf: “Nog voor geen ogenblik was er de kleinste schaduw tussen Hem en zijn hemelse Vader. Hij was zonder zonde…. Als Christus’ eigen leven niet zondeloos geweest was, spreekt het voor zich dat Hij de mensheid nooit van zonde had kunnen verlossen.” (Griffith Thomas, CIC, 17)

Van Philip Schaff lezen we: “Hoe beter en heiliger een mens is, hoe meer hij zich bewust is van zijn behoefte aan vergeving, en hoe meer hij tekortschiet ten opzichte van zijn eigen onvolmaakte maatstaven. Maar Jezus, met dezelfde natuur als wij en beproefd als wij, gaf nooit toe aan de verleiding. Hij had nooit reden om enige gedachte, enig woord, of enige daad te betreuren; Hij had nooit vergeving, of bekering, of hervorming nodig. Hij verloor nooit de goede verstandhouding met zijn hemelse Vader. Zijn hele leven was één ononderbroken toewijding aan de eer van God en het eeuwige welzijn van zijn medemensen.” (Schaff, HCC, 107)

“Ik ken geen enkele blijvende, ware goedheid,” zegt William Ellery Channing, “behalve de zedelijke uitmuntendheid die uitstraalt van Jezus Christus.” (Mead, ERQ, 51) Dat is de klinkende conclusie van de geschiedenis over het leven van de God-mens Jezus Christus.


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate