“Maar Hij bleef zwijgen en antwoordde niet. Toen vroeg de hogepriester Hem: ‘Bent U de Messias, de Zoon van de Gezegende?’ Jezus zei: ‘Dat ben Ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en Hem zien komen op de wolken van de hemel.’ De hogepriester scheurde zijn kleren en zei: ‘Waarvoor hebben we nog getuigen nodig? U hebt de godslastering gehoord; wat is uw oordeel?’ Allen oordeelden dat Hij schuldig was en de doodstraf verdiende.” (Marcus 14:61-64).
De getalenteerde rechter Gaynor, verbonden aan de rechtbank van New York, stelde in een toespraak over de rechtszaak tegen Jezus dat godslastering de enige aanklacht was die tegen Jezus werd ingebracht voor het Sanhedrin: “Uit alle vier de evangelieverhalen blijkt duidelijk dat de vermeende misdaad op grond waarvan Jezus berecht en veroordeeld werd, godslastering was: Jezus had beweerd dat Hij bovennatuurlijke kracht bezat, en voor een mens was dat godslastering“ (met een citaat 20van Johannes 10:33). Gaynor verwijst naar het feit dat Jezus “zichzelf God maakte”, niet naar wat Hij over de tempel gezegd had. (Deland, MTJ, 118, 119)
Over de vragen van de Farizeeën merkt A. T. Robertson op: “Jezus neemt de uitdaging aan en erkent dat Hij alle drie zegt te zijn (de Messias, de Mensenzoon en de Zoon van God). ‘U zegt het’ (humeislegete) is niets meer dan een Griekse uitdrukking voor ‘Ja’. (Vergelijk het ‘Dat ben Ik’ in Marcus 14:62 met het ‘U zegt het’ in Matteüs 26:64.)” (Robertson, WPNT, 277)
Het was in reactie op dit antwoord van Jezus dat de hogepriester zijn kleren scheurde. H. B. Swete legt uit wat dit betekende: “De wet verbood de hogepriester zijn kleren te scheuren bij persoonlijke zorgen (Leviticus 10:6, 11:10), maar wanneer hij als rechter optrad vereiste het gebruik dat hij op deze manier zijn afschuw toonde voor een in zijn tegenwoordigheid uitgesproken godslastering. De opluchting van de in verlegenheid gebrachte rechter is overduidelijk. Al kwamen er geen betrouwbare getuigenissen naar voren, de noodzaak daarvoor was nu ook verdwenen: de gevangene had zichzelf beschuldigd.” (Swete, GASM, 339)
We beginnen te zien dat dit geen gewone rechtszaak is. De advocaat Irwin Linton benadrukt dit wanneer hij zegt: “Dit proces, waarin het niet gaat om de daden maar om de identiteit van de beklaagde, is uniek onder de strafprocessen. De misdaad die Christus ten laste werd gelegd, de bekentenis of het getuigenis of nog liever het optreden op grond waarvan Hij werd veroordeeld, zijn ondervraging door de Romeinse gouverneur en het opschrift en de afkondiging op zijn kruis tijdens zijn terechtstelling gaan allemaal over die ene vraag naar de werkelijke identiteit en waardigheid van Christus. ‘Wat denkt u over de Messias? Van wie is Hij een zoon?’ “ (Linton, SV, 7)
In ditzelfde opzicht maakt de vroegere scepticus Frank Morison duidelijk “dat Jezus van Nazaret ter dood veroordeeld werd, niet op grond van de beweringen van zijn aanklagers, maar op grond van een onder ede afgedwongen eigen bekentenis.” (Morison, WMS, 25)
Hilarin Felder voegt daaraan toe: “Dit onderzoek naar Jezus‘ rechtszaak zou toereikend moeten zijn om ons de onwrikbare overtuiging te geven dat de Verlosser tegenover zijn rechters erkende werkelijk goddelijk te zijn.” (Felder, CAC, 299-300)
Simon Greenleaf, voormalig hoogleraar rechten aan Harvard en zelf een bekende strafpleiter, zegt over Jezus’ rechtszaak: “Het is moeilijk te zien op welke grond zijn optreden voor enig tribunaal te verdedigen zou zijn geweest, behalve op die van zijn bovenmenselijke karakter. Ik zou denken dat geen enkele advocaat zou overwegen zijn verdediging op iets anders te baseren. (Greenleaf, TT, 562)
Hoewel Jezus’ antwoord aan zijn rechters in elk van de synoptische evangeliën anders geformuleerd is, zien we, zoals Morison ons vertelt, dat de betekenis ervan hetzelfde is: “Deze antwoorden zijn in werkelijkheid gelijk. De woorden ‘U zegt het’, die in moderne oren ontwijkend overkomen, hadden in het Joodse denken van die tijd een dergelijke connotatie totaal niet. ‘U zegt’ was de traditionele vorm waarin beschaafde Joden vragen met een ernstige of verdrietige strekking beaamden. De beleefdheid verbood een rechtstreeks ‘ja’ of ‘nee’.” (Morison, WMS, 26)
Om zeker te weten dat Jezus inderdaad wilde dat men deze conclusie uit zijn antwoord zou trekken, analyseert C. G. Montefiore de opmerking die volgt op wat Hij zegt over zijn God-zijn. “De twee uitdrukkingen ‘Mensenzoon’ (geregeld op zijn lippen) en ‘aan de rechterhand der macht’ (NBG; een typisch Joodse uitdrukking voor de Godheid) laten zien dat het antwoord volkomen overeenstemt met Jezus’ wezen en wijze van spreken.” (Montefiore, TSG, 360)
Zoiets schrijft ook Craig Blomberg, een bekende nieuwtestamenticus en schrijver:
Mogelijk klaagt Jezus zijn ondervragers zelfs aan met zijn wijze van verwoorden. Maar daarbij blijft het niet. Hij gaat verder en zegt: “en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en Hem zien komen op de wolken van de hemel” (Marcus 14:62). Dit antwoord is een combinatie van twee toespelingen, op Daniël 7:13 en Psalm 110:1. In deze context betekent “Mensenzoon” veel meer dan zomaar een menselijk wezen. Jezus omschrijft zichzelf als “iemand die eruitzag als een mens” die “de oude wijze [naderde] en voor hem geleid [werd]” en die macht en gezag kreeg over de hele mensheid, uitlopend op universele aanbidding en eeuwige heerschappij (Daniël 7:13-14). Waarschijnlijk was het deze uitspraak, dat Hij veel meer was dan een gewone sterveling, die het oordeel “godslastering” ontlokte aan het Joodse hooggerechtshof. (Blomberg, JC, 341-343)
F. F. Bruce, van de universiteit van Manchester in Engeland schrijft: “Er wordt geïmpliceerd, niet expliciet vermeld, dat dit wezen in Daniëls visioen op de troon gezet wordt… [Jezus] verbond deze twee teksten met elkaar toen de hogepriester van Israël Hem uitdaagde om bekend te maken wie Hij was.” (Bruce, RJ, 64-65) Het is dus volkomen duidelijk dat dit het getuigenis is, dat Jezus van zichzelf wilde geven. We zien ook dat de Joden zijn antwoord moeten hebben opgevat als de bewering dat Hij God was. Dat betekende dat er twee alternatieven waren: zijn opmerkingen waren pure godslastering of Hij was God. Voor zijn rechters moet de zaak heel duidelijk geweest zijn – zo duidelijk zelfs, dat ze Hem kruisigden en Hem vervolgens hoonden: “Hij heeft zijn vertrouwen in God gesteld… Hij heeft immers gezegd: ‘Ik ben de Zoon van God’” (Matteüs 27:43). (Stevenson, TTG, 125)
We zien dus dat Jezus gekruisigd werd omdat Hij was wie Hij werkelijk was, omdat Hij de Zoon van God was. Dat blijkt uit een analyse van zijn getuigenis. Zijn getuigenis bevestigde dat Hij de Zoon van de Gezegende was, dat Hij degene was die aan de rechterhand van de Machtige zou zitten, dat Hij de Mensenzoon was die zou komen op de wolken van de hemel.
William Childs Robinson komt tot de conclusie dat “elk van deze [drie] beweringen onmiskenbaar messiaans is. Hun cumulatieve messiaanse effect is ‘verbluffend belangwekkend’.” (Robinson, WSYIA, 65)
Herschel Hobbs merkt op:
De leden van het Sanhedrin pikten alle drie de punten op. Ze somden ze op in één vraag: “Bent U dan de zoon van God?” Hun vraag nodigde uit tot een bevestigend antwoord. Hij was het equivalent van een stelling van hun kant. Daarom antwoordde Jezus eenvoudigweg: “U zegt dat ik het ben.” Daarmee zorgde Hij dat zij erkenden wie Hij was voordat ze Hem formeel schuldig verklaarden en de doodstraf oplegden. Dat was een slimme strategie van Jezus. Hij zou niet alleen sterven op grond van zijn eigen verklaring dat Hij God was, maar ook op die van hen.
Volgens hen was er geen ander getuigenis meer nodig. Want ze hadden Hem zelf gehoord. Zodoende veroordeelden ze Hem op zijn eigen woorden. Maar Hij veroordeelde hen ook, op hun woorden. Ze konden niet ontkennen dat ze de Zoon van God schuldig verklaard en de doodstraf over Hem uitgesproken hadden. (Hobbs, AEGL, 322)
Robert Anderson schrijft: “Geen bevestigend bewijs is zo overtuigend als dat van vijandige getuigen, en het feit dat de Heer beweerde God te zijn blijkt ondubbelzinnig uit de reactie van zijn vijanden. We moeten niet vergeten dat de Joden geen stam onwetende wilden waren, maar een hooggecultiveerd en zeer religieus volk; en het was op grond van deze aanklacht dat, zonder één tegenstem, zijn doodvonnis werd geveld door het Sanhedrin – hun glorieuze nationale Rechtbank, samengesteld uit de meest vooraanstaande godsdienstige leiders, onder wie mannen van het type van Gamaliël en zijn grootse leerling, Saulus van Tarsus.” (Anderson, LH, 5)
Hilarin Felder werpt meer licht op het oordeel dat de Farizeeën zichzelf feitelijk op de hals halen. 22“Maar aangezien ze de Verlosser om zijn eigen verklaring veroordelen als godslasteraar, bewijzen de rechters officieel en onder ede dat Jezus niet alleen beleed dat Hij de theocratische messiaanse Koning en menselijke Zoon van God was, maar ook dat Hij de goddelijke Messias en de ware Zoon van God was, en dat Hij op grond van deze belijdenis ter dood gebracht werd.” (Felder, CATC, deel 1, 306)
Als resultaat van onze studie kunnen we rustig tot de conclusie komen dat Jezus zo duidelijk aanspraak maakte op het feit dat Hij God was dat al zijn aanklagers zich dat bewust waren. Deze bewering werd als godslasterlijk gezien door de godsdienstige leiders, en volgens de Hebreeuwse wet en de traditie stond hierop de doodstraf. Ze kruisigden Jezus omdat “Hij zich de Zoon van God heeft genoemd” (Johannes 19:7). (Little, KWYB, 45)



