1C. Gelijkheid met de Vader

Bij een aantal gelegenheden stelde Jezus dat Hij gelijk was met God de Vader.

1D. Johannes 10:25-33

“Jezus antwoordde: ‘… De Vader en Ik zijn één.’ Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze Hem wilden stenigen, zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u Me stenigen?’ ‘Voor een goede daad zullen we U niet stenigen,’ antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: U bent een Mens, maar U beweert dat U God bent!’”

- Johannes 10:25-33

In deze geschiedenis vatten de Joden Jezus’ woorden heel duidelijk op als een bewering dat Hij God was. Hun reactie, net als bij zijn rechtszaak, laat zien dat ze heel goed begrepen wat Hij met zijn woorden bedoelde. Dit wordt nog interessanter en versterkt wanneer we zien hoe het Grieks het verwoordt. A. T. Robertson wijst erop: “Eén” (hen). Onzijdig, niet mannelijk (heis). Niet één persoon (verg. heis in Galaten 3:28), maar één wezen of natuur.” (Robertson, WPNT, 186)

Bijbeluitlegger J. Carl Laney zegt hetzelfde: “Het woord ‘één’ (hen) is onzijdig en spreekt over één wezen, niet één persoon… De Vader en de Zoon delen een eenheid van goddelijk wezen en blijven toch twee afzonderlijke Personen binnen de Godheid.” (Laney, JMGC, 195-196)

Robertson vertelt ons vervolgens: “Deze kernachtige opmerking is het hoogtepunt van wat Christus zegt over de relatie tussen de Vader en Zichzelf (de Zoon). Dit wekt bij de Farizeeën een onbeheerste woede op.” (Robertson, WPNT, 187)

Het is dus duidelijk dat degenen die deze bewering hoorden, er geen moment aan twijfelden dat Jezus tegenover hen verklaarde dat Hij God was. Gevolg: “De Joden konden Jezus’ woorden slechts als godslastering zien, en vervolgens namen ze het recht in eigen hand. In de Wet was vastgelegd dat de straf op godslastering steniging was (Leviticus 24:16). Maar deze mannen stonden niet toe dat het recht zijn vastgestelde loop zou nemen. Ze troffen geen voorbereidingen voor het opstellen van een aanklacht op grond waarvan de autoriteiten de vereiste actie konden ondernemen. In hun woede troffen ze voorbereidingen om zowel rechter als beul te zijn. ‘Weer’ verwijst waarschijnlijk naar hun vorige poging tot steniging (Johannes 8:59).” (Bruce, NICNT, 524)

Hun poging om Jezus te stenigen vanwege godslastering laat zien dat ze zijn leer heel goed begrepen. Ze laat ook zien dat ze niet de moeite namen om na te gaan of Hij misschien terecht aanspraak maakte op goddelijkheid!

2D. Johannes 5:17, 18

“Maar Jezus zei: ‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe Ik dat ook.’ Vanaf dat moment 23probeerden de Joden Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat ondermijnde, maar bovendien God zijn eigen Vader noemde, en zichzelf zo aan God gelijkstelde.”

- Johannes 5:17-18

De gewaardeerde Bijbelwetenschapper Merrill C. Tenney legt uit: “De Joden waren boos omdat Jezus de sabbat geschonden had, maar ze waren razend omdat Hij zo aanmatigend was dat Hij beweerde gelijk te zijn aan de Vader. Deze bewering van Jezus vergrootte de kloof tussen Hem en zijn critici, omdat ze begrepen dat Hij daarmee beweerde goddelijk te zijn. Zijn verklaring laat zien dat Hij geen gelijkheid met de Vader claimde alsof Hij één persoon met Hem was, maar dat Hij verklaarde één te zijn met de Vader in een relatie die te omschrijven was als zoonschap.” (Tenney, GJ, 64)

Een woordstudie uit A. T. Robertsons Word Pictures of the New Testament levert enkele interessante inzichten op: “Jezus zegt duidelijk ‘Mijn Vader’ (ho pater mou). Niet ‘onze Vader’, een aanspraak op een speciale relatie met de Vader. Werkt tot nu toe (aan één stuk door, NBV) (heos arti ergazetai) … Jezus stelt zich op gelijk niveau met Gods activiteit, waarmee Hij rechtvaardigt dat Hij op sabbat geneest.” (Robertson, WPNT, 82, 82)

Het is ook interessant dat Joden niet naar God verwezen als “mijn Vader”. “Als ze dat al deden, kwalificeerden ze die uitspraak altijd met ‘in de hemel’. Maar Jezus deed dat niet. Toen Hij God ‘Mijn Vader’ noemde, deed Hij daarmee een voor de Joden niet mis te verstane bewering.” (Morris, AJ, 309) Hij maakte aanspraak op een unieke relatie met God als zijn Vader. Net zoals een menselijke zoon van een vader volkomen menselijk moet zijn, moet Gods Zoon volkomen God zijn. Alles wat de Vader is, is de Zoon.

Jezus suggereert bovendien dat zolang God werkt, Hij, de Zoon, ook werkt. (Pfeiffer, WBC, 1083) Alweer begrepen de Joden daaruit dat Hij zei Gods Zoon te zijn. In reactie op die bewering groeide de haat van de Joden. Hoewel ze voornamelijk uitwaren op zijn vervolging, groeide hun verlangen om Hem te doden. (Lenski, ISJG, 375)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate