“‘Waarachtig, Ik verzeker u’ antwoordde Jezus, ‘van voordat Abraham er was, ben Ik er.’” – Johannes 8:58
Een uitlegger verklaart dit gedeelte heel goed: “Hij zei tegen hen: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u…eer Abraham was, IK BEN.’ Voorafgegaan door een dubbel Amen – de zwaarste eed – maakt onze Heer aanspraak op de onuitsprekelijke naam van de Godheid. De Joden zien zijn bedoeling, en vol afschuw willen ze Hem stenigen.” (Spurr, JIG, 54)
Hoe reageerden de Joden op deze bewering? Zoals Henry Alford ons vertelt: “Elke onbevooroordeelde exegese van deze woorden moet hierin een verklaring van de feitelijke pre-existentie van Christus zien.” (Alford, GT, 801-802)
Marvin Vincent schrijft in zijn Word Studies of the New Testament dat Jezus’ bewering “de formule voor absoluut, tijdloos ‘IK BEN’ (eimi)” is. (Vincent, WSNT, deel 2, 181)
Wanneer we ons verlaten op oudtestamentische citaten, ontdekken we dat “IK BEN” verwijst naar de naam van God zelf, Jahwe (in Nederlandse Bijbels meestal vertaald met HEER of HERE in hoofdletters). A. G. Campbell trekt daaruit deze conclusie: “Uit oudtestamentische teksten zoals Exodus 3:14, Deuteronomium 32:39, en Jesaja 43:10 blijkt dat Jezus hiermee geen nieuw idee naar voren brengt. De Joden waren uitstekend bekend met de gedachte dat de Jehova van het Oude Testament de eeuwig bestaande is. Wat nieuw was voor de Joden was de gelijkstelling van deze aanduiding met Jezus.” (Campbell, GTDC, 12)
De reacties van de omstanders bewijzen dat ze zijn toespeling opvatten als een aanspraak op 24absolute goddelijkheid. Hun conclusie brengt hen ertoe de Mozaïsche wet op de godslastering toe te passen (Leviticus 24:13-16); ze zijn van plan Jezus te stenigen. Peter Lewis merkt op: “Met één simpele opmerking wordt de opperste waarheid over de opperste Mens bekend gemaakt – zijn voorbestaan, zijn absolute bestaan.” (Lewis, GC, 92)
Campbell legt dit punt uit aan de niet-Jood: “Dat we de uitdrukking ‘Ik ben’ (eimi) ook moeten opvatten als een verklaring van de volledige godheid van Christus blijkt uit het feit dat Jezus niet probeerde om haar uit te leggen. Hij deed niet zijn best om de Joden te overtuigen dat ze Hem verkeerd begrepen hadden; bij diverse gelegenheden herhaalde Hij zijn bewering juist.” (Campbell, GTDC, 12-13)
Samenvattend schrijft de gerenommeerde Bijbelwetenschapper Raymond Brown, verwijzend naar dit gedeelte: “Nergens in de evangeliën vinden we een duidelijkere suggestie van goddelijkheid dan hier.” (Brown, GAJ, 367)



