5C. De schrijver van Hebreeën

1D. Hebreeën 1:3

“In Hem schittert Gods luister, Hij is zijn evenbeeld, Hij schraagt de schepping met zijn machtig woord” – Hebreeën 1:3

F. F. Bruce zegt over het woord “evenbeeld”: “Net zoals het beeld en het opschrift op een munt precies overeenkomt met het patroon op de matrijs, is de Zoon van God “de afdruk van zijn wezen” (NBG). Het Griekse woord ‘kharaktare’, dat alleen in het Nieuwe Testament voorkomt, drukt deze waarheid nog indringender uit dan eikon, dat elders gebruikt wordt ter aanduiding van Christus als het ‘beeld’ van God (2Korintiërs 4:4; Kolossenzen 1:15)… Wat God in wezen is, wordt gemanifesteerd in Christus.” (Bruce, EH, 48)

2D. Hebreeën 1:8

“Maar tegen de Zoon zegt hij: ‘God, uw troon houdt stand tot in alle eeuwigheid, en de scepter van het recht is de scepter van uw koningschap.’” – Hebreeën 1:8

Thomas Schultz schrijft dat “de vocatief … in ‘uw troon, O, God’ de voorkeur verdient boven de nominatief die vertaald zou worden als ‘God is uw troon’ of ‘uw troon is God’. Alweer is het bewijs overtuigend – Jezus Christus wordt in de Bijbel God genoemd.” (Schultz, DPC, 180)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate