De bekende theoloog en Bijbelleraar Charles Ryrie schrijft over de titel “Zoon van God”: “Wat betekent hij? Hoewel de woorden ‘zoon van’ ‘nakomeling van’ kunnen betekenen, dragen ze ook de betekenis van ‘in de orde van’. Vandaar dat in het Oude Testament ‘zonen der profeten’ betekende van de orde van de profeten (1Koningen 20:35, SV) en ‘kinderen der zangers’ van de orde van de zangers (Nehemia 12:28 SV). De aanduiding ‘Zoon van God’, gebruikt voor onze Heer, betekent van de orde van God en is een sterke en duidelijke aanspraak op volkomen goddelijkheid.” (Ryrie, BT, 248)
H. F. Stevenson merkt op: “Het is waar dat de term ‘zonen van God’ in het Oude Testament gebruikt wordt voor mensen (Hosea 1:10) en engelen (Genesis 6:2; Job 1:6; 38:7). Maar in het Nieuwe Testament wordt de titel ‘Zoon van God’ over en door onze Heer gebruikt op een heel andere wijze. In alle gevallen impliceert de term dat Hij de ene, eniggeboren Zoon is; gelijk in stand, gelijk in eeuwigheid met de Vader.” (Stevenson, TTG, 123)
Het herhaalde gebruik van de term “de Zoon” naast “de Vader” getuigt van Jezus’ expliciete aanspraak op gelijkheid met de Vader en verwoordt de waarheid van de Drie-eenheid (Matteüs 23:9, 10; Marcus 13:32; Johannes 3:35; 5:19-27; 6:27; 10:33-38; 14:13).
In Caesarea Filippi complimenteerde Jezus Petrus vanwege het feit dat deze Hem herkende als de Zoon van God; “‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus. Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel’” (Matteüs 16:16-17).
Felder schrijft over Christus’ beeld van God als zijn Vader: “Telkens wanneer Jezus spreekt over zijn relatie met zijn Vader gebruikt Hij zonder uitzondering de uitdrukking ‘mijn Vader’; en telkens wanneer Hij de aandacht van de discipelen vestigt op hun kinderlijke relatie met God, is daar de even absolute aanduiding ‘jullie Vader’. Nergens associeert Hij zich met de discipelen en met de mens door de vanzelfsprekende uitdrukking ‘onze Vader’ te gebruiken.”
Felder vervolgt:
Zelfs bij die gelegenheden dat Jezus zichzelf met de discipelen één maakt tegenover God, en het dus te verwachten zou zijn dat Hij de collectieve uitdrukking ‘onze Vader’ zou gebruiken, staat daar, in tegenstelling, ‘mijn Vader’: “Ik zeg jullie: vanaf vandaag zal ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.” (Matteüs 26:29). “Ik zal ervoor zorgen dat de belofte van mijn Vader aan jullie wordt ingelost” (Lucas 24:49). “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is” (Matteüs 25:34). Zo maakt Jezus een ondubbelzinnig onderscheid tussen zijn eigen goddelijke zoonschap en dat van de discipelen en de mens in het algemeen. (Felder, CAC, 268-269)



