Jezus gebruikt de titel “Mensenzoon” op drie verschillende manieren:
- Wat betreft zijn aardse bediening:
- Matteüs 8:20
- Matteüs 9:6
- Matteüs 11:19
- Matteüs 16:13
- Lucas 19:10
- Lucas 22:48
- Wanneer Hij zijn lijden voorzegt:
- Matteüs 13:41
- Matteüs 17:9, 22
- Matteüs 20:18
- Tijdens zijn onderwijs over zijn wederkomst:
- Matteüs 13:41
- Matteüs 24:27, 30
- Matteüs 25: 31
- Lucas 18:8
- Lucas 21:36
Stevenson hecht een speciaal belang aan de titel “Mensenzoon”, “omdat dit de aanduiding was die onze Heer gewoonlijk voor zichzelf gebruikte. Hij wordt in het Nieuwe Testament door niemand op de lippen genomen dan door Hem – behalve wanneer zijn ondervragers zijn woorden citeren (Johannes 12:34), en in het ene geval dat Stefanus op het moment van zijn overlijden als martelaar extatisch uitroept: ‘Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat’ (Handelingen 7:56). Het is duidelijk een messiaanse titel, zoals de Joden erkenden.” (Johannes 12:34) (Stevenson, TTG, 120)
Kreyssler en Scheffrahn schrijven: “Het is duidelijk dat Jezus geloofde dat Hijzelf de vervulling van de oudtestamentische profetieën over de Messias was. Als Hij naar zichzelf verwees gebruikte Hij steeds de titel ‘De Mensenzoon’ uit het visioen van Daniël” (Daniël 7:13, 14). (Scheffrahn, JN, 9-10)
In Marcus 14:61-64 past Jezus Daniël 17: 13 en 14 en daarnaast Psalm 110:1 op zichzelf toe als iets wat voor hun ogen zal gebeuren. C. G. Montefiore wijst erop dat “wanneer Jezus deze woorden sprak, wij nauwelijks kunnen veronderstellen dat Hij onderscheid maakte tussen zichzelf, de Mensenzoon, en de Messias. De Mensenzoon moet de Messias zijn, en beiden moet Hijzelf zijn.” (Montefiore, SG, 361)



