1B. Hij vergaf zonden

“Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’ Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven!” – Markus 2:5-7

Voor een Jood, geoefend in de Wet van God, is het ondenkbaar dat een mens zonden tegenover God zou kunnen vergeven. Vergeving schenken is voorbehouden aan God alleen. De bekende Bijbelwetenschapper en theoloog John Stott schrijft: “We kunnen het kwaad dat anderen ons aandoen, vergeven, maar de zonden die we tegenover God bedrijven kan alleen God zelf vergeven.” (Stott, BC, 29)

Sommigen vragen zich misschien af of Jezus werkelijk het goddelijke gezag had om zonden te vergeven. Jezus wist dat dit gold voor zijn toehoorders, en dus bewees Hij hun zijn gezag: “’Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze” (Marcus 2:9-12).

Bij deze gebeurtenis vraagt Jezus wat er gemakkelijker zou zijn, zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of zeggen: “Sta op en loop”. Volgens de Wycliffe Bible Commentary is dit “een vraag die niet te beantwoorden is. De beweringen zijn even gemakkelijk uit te spreken; maar het doen en tevens uitvoeren van zowel de ene als de andere bewering vereist goddelijke kracht. Een bedrieger die niet betrapt wil worden, vindt de eerste natuurlijk gemakkelijker. Vervolgens genas Jezus de ziekte zodat de mensen zouden weten dat Hij het gezag had om af te rekenen met de oorzaak ervan. (Pfeiffer, WBC, 944)

Hierop beschuldigden de schriftgeleerden en Farizeeën Hem van godslastering. “De aanklacht van de Farizeeën en de schriftgeleerden … veroordeelde Hem omdat Hij zich iets aanmatigde wat alleen God toekwam.” (Pfeiffer, WBC, 943)

C. E. Jefferson stelt: “Hij vergaf zonden, Hij sprak als iemand met gezag. Zelfs de ergste zondaars kregen, wanneer ze met berouw bij Hem kwamen, de gezaghebbende verzekering dat ze vergeving ontvangen hadden.” (Jefferson, CJ, 330)

Lewis Sperry Chafer wijst erop dat “niemand op aarde het gezag of het recht heeft om zonde te vergeven. Niemand kon zonde vergeven behalve Degene tegen wie allen gezondigd hebben. Toen 31Christus zonde vergaf, zoals Hij zeker deed, oefende Hij daarmee geen menselijk recht uit. Aangezien behalve God niemand zonden kan vergeven, is hiermee onomstotelijk aangetoond dat Christus, aangezien Hij zonden vergaf, God is, en in zijn hoedanigheid als God van eeuwigheid is.” (Chafer, ST, deel 5, 21)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate