Het Oude Testament is er duidelijk over dat God rechter over de hele schepping is (Genesis 18:25; Psalm 50:4-6, 96:13). Toch wordt dit gezag om recht te spreken in het Nieuwe Testament door de Vader overgedragen aan de Zoon: “En omdat Hij [Jezus] de Mensenzoon is, heeft Hij [God] Hem [Jezus] ook gezag gegeven om het oordeel te vellen” (Johannes 5:27).
Zijn bewering dat Hij de wereld zal oordelen betekent dat Jezus zelf de doden zal opwekken, de volken bijeen brengen, in majesteit op een troon zitten en de wereld oordelen. Sommigen zullen op grond van zijn oordeel de hemel erven – anderen, de hel.
John Stott voegt toe: “Niet alleen zal Jezus de rechter zijn, maar het criterium voor het oordeel is hoe ze zich tegenover Hem opgesteld hebben, wat blijkt uit de manier waarop ze zijn ‘broeders’ behandeld hebben en op zijn woord gereageerd hebben… Het belang van deze bewering valt nauwelijks te overschatten. Stel u voor dat een voorganger tegenwoordig zijn gemeente zo zou toespreken: ‘Luister aandachtig naar mijn woorden. Uw eeuwige bestemming hangt ervan af. Ik zal aan het einde van de wereld terugkomen om u te oordelen, en uw lot zal afhangen van uw gehoorzaamheid aan mij.’ Zo’n prediker zal niet lang aan de aandacht van politie of psychiater ontsnappen.” (Stott, BC, 31-32)



