In zijn essay “Waarom ik geen christen ben” zegt de filosoof Bertrand Russel: “Historisch gezien is het nogal twijfelachtig of Christus eigenlijk wel ooit bestaan heeft, en als het wel het geval is, weten we niet veel over Hem.” (Russel, WIANC, 16)
Tegenwoordig zou het je moeite kosten om een groot aantal goedgeïnformeerde mensen te vinden die het met Russels radicale bewering eens zouden zijn. Veel mensen hebben vragen bij Jezus Christus, en sommige vragen zich af of wat er in de Bijbel over Hem staat, waar is, maar de groep die beweert dat Hij nooit geleefd heeft en dat we, als dat wel zo was, niets van Hem afweten, is maar heel klein. Zelfs de Amerikaanse revolutionair Thomas Paine, die een absolute minachting voor het christendom had, twijfelde niet aan de historiciteit van Jezus van Nazaret. Hoewel Paine geloofde dat de Bijbelse beweringen over Jezus’ godheid mythologisch waren, ging hij er wel vanuit dat Jezus echt bestaan had. “Hij was een deugdzaam en beminnelijk mens. De moraal die hij predikte en in praktijk bracht was van het meest edelmoedige soort; en hoewel vele jaren daarvoor Confucius en bepaalde Griekse filosofen soortgelijke morele systemen predikten; en nadien de Quakers; en in alle tijden vele goede mensen, is het zijne door niemand overtroffen.” (Paine, CWTP,9)
Toch stuit ik af en toe op iemand zoals Russel, die ondanks de bewijzen blijft volhouden dat Jezus nooit bestaan heeft. Eens gebeurde dat tijdens een debat, gesponsord door de studentenverenigingen van een universiteit in het Midden-Westen van Amerika. Mijn opponent, een kandidaat voor het huis van afgevaardigden van de marxistische Progressive Labour Party voor New York, zei in haar openingswoord: “Historici hebben Jezus als historische persoon zo goed als afgeschreven.” Ik kon mijn oren niet geloven! Maar ik was blij dat ze het zei, want dat gaf mij de gelegenheid om vijfentwintighonderd studenten te laten zien dat ze haar geschiedenishuiswerk niet goed gedaan had. Was dat wel het geval geweest, dan zou ze ontdekt hebben wat F. F. Bruce, Rylands-hoogleraar Bijbelse tekstkritiek en exegese aan de universiteit van Manchester gezegd heeft: “Sommige schrijvers mogen dan spelen met het idee van een ‘Christusmythe’, maar dat doen ze niet op basis van de historische bewijzen. De historiciteit van Christus staat voor een onbevooroordeelde geschiedkundige even vast als de historiciteit van Julius Caesar. Het zijn geen historici die de theorie van de ‘Christusmythe’ verbreiden. “ (Bruce, NTDATR ’72, 119)
Otto Betz heeft gelijk: “Geen enkele serieuze wetenschapper heeft het gewaagd de niet-historiciteit van Jezus te postuleren.” (Betz, WDWKAJ, 9)
De historiciteit van Jezus is meer dan een interessantigheidje voor christenen. Het christelijke geloof heeft zijn basis in de historie. De nieuwtestamenticus Donald Hagner merkt op:
Het ware christendom, het christendom van de nieuwtestamentische geschriften, is volkomen afhankelijk van de geschiedenis. De kern van het nieuwtestamentische geloof is de verzekering “dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was” (2Korintiërs 5:19, NBG). De vleeswording, het sterven en de opstanding van Christus als werkelijke gebeurtenissen in tijd en plaats, d.w.z. als historische realiteiten, zijn de onmisbare fundamenten van het christelijke geloof. Voor mijn gevoel is het christendom dan ook het beste te definiëren als de verkondiging van, de viering van, en de deelname aan Gods handelen in de geschiedenis, dat, zoals de nieuwtestamentische geschriften benadrukken, zijn voleindiging gevonden heeft in Christus. (Hagner, NTCI, 73, 74)
Dit hoofdstuk bevat de bewijzen die christelijke bronnen, seculiere autoriteiten en joodse geschriften geven voor het leven van Christus.



