4B. Plinius de Jonge

Als gouverneur van Bitynië in Klein-Azië (112 n. Chr.) schrijft Plinius aan keizer Trajanus om advies over hoe hij de christenen moet behandelen. Hij vertelt dat hij mannen en vrouwen, en jongens en meisjes ter dood gebracht heeft, maar dat er zoveel executies plaatsvinden dat hij zich afvraagt of hij moet doorgaan met het doden van iedereen die christen bleek te zijn, of dat hij zich moet beperken tot specifieke personen. Hij vertelt dat hij de christenen heeft laten buigen voor de beelden van Trajanus en zegt vervolgens dat hij hen ook heeft “gedwongen om Christus te vervloeken, waar een ware christen onmogelijk toe te brengen is”. In dezelfde brief zegt hij over de berechte christenen: “Ze bevestigden echter dat het enige waaraan zij schuldig waren, hun gewoonte was om op een bepaalde dag, voordat het licht werd, samen te komen en dan in beurtzang een lied tot Christus te zingen, als tot een God, en zich met een plechtige eed te verbinden, niet om slechte daden te doen, maar om nooit te komen tot bedrog, diefstal of overspel, nooit hun woord te breken, en hun beloften na te komen wanneer ze daaraan gehouden werden.” (Plinius de Jonge, Brieven, 10:96)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate