4B. Het getuigenis van Josefus

“Josefus ben Mattatias (geboren 37/38 n. Chr., overleden na 100 n. Chr.)” schrijft professor John P. Meier, was beurtelings een Joodse aristocraat, een priesterlijke politicus, een niet-zo-willige leider van de Galileese rebellen ten tijde van de Eerste Joodse Opstand tegen Rome (66-73 n. Chr.), een listige overloper, een Joodse geschiedkundige op de loonlijst van de Flaviërs, en een veronderstelde Farizeeër. Gevangengenomen door Vespasianus in 67, diende hij de Romeinen als bemiddelaar en tolk tijdens de rest van de opstand. Naar Rome gevoerd, stelde hij twee grote werken samen: De Joodse Oorlog, geschreven aan het begin van de jaren 70, en het veel langere De oude geschiedenis van de Joden, dat gereed was rond 93/94. (Meier, BR, 20, 22)

Flavius Josefus ging deel uitmaken van de intimi van de keizer. Hij kreeg zelfs als zijn Romeinse naam de naam van de keizer, Flavius.

In zijn De oude geschiedenis van de Joden komt een gedeelte voor dat geleid heeft tot verhitte debatten tussen de geleerden. Het luidt als volgt:

Nu was daar rond die tijd Jezus, een wijze man, als het terecht is hem een man te noemen, want hij was een wonderdoener, een leraar van mensen die de waarheid met genoegen aanvaarden. Hij trok velen van de Joden en velen van de heidenen tot zich. Hij was [de] Christus; en toen Pilatus, op aandringen van de meest vooraanstaande mannen onder ons, hem tot het kruis veroordeeld had, verlieten zij die vanaf het begin van hem gehouden hadden, hem niet. Want hij verscheen op de derde dag weer levend aan hen, zoals de goddelijke profeten dit en vele wonderlijke dingen over hem voorspeld hadden; en de christenen, naar hem genoemd, zijn tot op deze dag niet uitgestorven. (Josefus, AJ, 18.3.3, cursivering toegevoegd)

Ik zal niet gedetailleerd ingaan op de diverse wetenschappelijke standpunten ten opzichte van dit gedeelte, dat bekend geworden is als het Testimonium. Voor een nadere bespreking van het debat verwijs ik naar mijn boek He Walked Among Us, blz. 37-45. In plaats daarvan wil ik alleen zeggen dat dit gedeelte oorzaak was van veel opwinding omdat Josefus, als niet-christelijke Jood, opmerkingen over Jezus maakt die een orthodoxe Jood nooit 8 zou bevestigen – hij verwijst bijvoorbeeld naar Jezus als de Christus (Messias) en beweert dat Hij uit de dood is opgestaan, zoals de Hebreeuwse profeten voorspeld hadden.

Na de bewijzen voor mijzelf beoordeeld te hebben, ben ik tot de conclusie gekomen dat ik instem met de geleerden die van mening zijn dat, hoewel er sprake is van enkele christelijke toevoegingen die er duidelijk niet in thuishoren – met name de hierboven gecursiveerde zinsdelen – het Testimonium een aanzienlijke hoeveelheid waarheid bevat die Josefus heel goed bevestigd zou kunnen hebben. Zoals Meier stelt:

Lees het Testimonium zonder de gecursiveerde zinsdelen en je ziet duidelijk de gedachtegang. Josefus geeft Jezus de algemene benaming “wijze man” (sophos an’r, misschien het Hebreeuwse khakham). Vervolgens haalt hij uit die algemene aanduiding de twee voornaamste bestanddelen volgens het Grieks-Romeinse wereldbeeld: wonderen verrichten en doelmatig onderwijzen. Met dit dubbele vertoon van “wijsheid” wint Jezus veel volgelingen, zowel onder de Joden als de heidenen, en vermoedelijk – hoewel een reden niet expliciet vermeld wordt – is het dit geweldige succes dat de leiders ertoe brengt Jezus aan te klagen bij Pilatus. Ondanks Jezus’ schandelijke dood aan het kruis blijven zijn vroegere volgelingen hem trouw, en dus (let erop dat de overgang veel beter is zonder de verwijzing naar de opstanding in de weggelaten passage) zijn de christenen nog steeds niet uitgestorven. (Meier, BR, 23)

Een paar paragrafen na het Testimonium verwijst Josefus naar Jakobus, de broer van Jezus. In Antiquitates Judaicae 10, 9.1 beschrijft hij het gedrag van de hogepriester Ananus:

Maar de jonge Ananus, die, zoals we zeiden, het hogepriesterschap ontving, was stoutmoedig van aard en uitzonderlijk dapper; hij was een volgeling van de partij van de Sadduceeën, die van alle Joden het strengst van oordeel zijn, zoals we al hebben aangetoond. Vanwege dit karakter van Ananus meende hij dat dit een goede gelegenheid was, aangezien Festus dood was, en Albinus nog steeds onderweg; en dus riep hij een vergadering van rechters bijeen, en liet de broer van Jezus de zogenaamde Christus, Jakobus geheten, voorkomen samen met een aantal anderen, en nadat hij hen beschuldigd had van het breken van de wet, leverde hij hen uit om gestenigd te worden. (Bruce, NTDATR, 107)

Louis Feldman, professor klassieke talen aan de Yeshiva Universiteit en vertaler van de Antiquitates-uitgave van Loeb, zegt: “Weinigen twijfelen aan de echtheid van dit gedeelte.” (Josefus, Antiquitates, Loeb, 496) De terloopse verwijzing naar Jezus als de “zogenaamde Christus” is niet te verklaren tenzij Josefus Jezus eerder in zijn Antiquitates al uitgebreider besproken heeft. Dit is nog een aanwijzing dat de eerdere en uitgebreidere bespreking in Antiquitates echt is, uitgezonderd de duidelijk christelijke toevoegingen.

Dus zelfs de grote eerste-eeuwse Joodse historicus Josefus, die net iets meer dan een halve eeuw na Jezus’ leven en kruisiging schrijft, getuigt van de waarheid dat Jezus geen hersenspinsel van de kerk is, maar een echte historische figuur.


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate