Clemens was bisschop van de kerk te Rome tegen het einde van de eerste eeuw. Hij schreef een brief, genaamd Korintiërs, om de kerk in Korinte te helpen bij het oplossen van een probleem tussen de leiders en de leken in de kerk. In dit werk zegt Clemens:
De apostelen hebben het evangelie voor ons ontvangen van de Heer Jezus Christus; Jezus Christus was van God gezonden. Dus Christus is van God en de apostelen zijn van Christus. Zij kwamen dus beiden naar de wil van 13 God in de aangegeven orde. Aangezien zij dus een last ontvingen, trokken zij, ten volle verzekerd door de opstanding van onze Heer Jezus Christus en bevestigd in het woord van God met volle verzekering van de heilige Geest, er op uit met het goede nieuws dat het koninkrijk van God aanstaande was. Terwijl zij dit overal zo predikten, op het platteland en in de steden, stelden zij hun eerstelingen, na hen getoetst te hebben door de Geest, aan als bisschoppen en diakenen voor degenen die tot geloof zouden komen. (Korintiërs, 42)
Dit gedeelte bevestigt onder andere dat de evangelieboodschap was uitgegaan van de historische Jezus die gezonden was door God, en dat zijn boodschap gestaafd werd door zijn feitelijke opstanding uit de dood.



