“De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn.” (Genesis 49:10 NBG)
Het woord dat in dit gedeelte het best vertaald wordt met “scepter” is een “stamstaf” (Naardense Bijbel). Elk van de twaalf stammen van Israël had zijn eigen “staf” met daarop zijn naam. Dus de “stamstaf” of de stamidentiteit van Juda zou niet verdwijnen voordat Silo kwam. Eeuwen lang hebben Joodse en christelijke uitleggers het woord “Silo” geïnterpreteerd als een naam van de Messias.
We herinneren ons dat Juda zijn nationale soevereiniteit verloor met de zeventig jaar durende Babylonische ballingschap; hij verloor al die tijd echter nooit zijn “stamstaf” of “nationale identiteit”. De Joden hadden nog steeds hun eigen wetgevers of rechters, zelfs tijdens de ballingschap (zie Ezra 1:5, 8).
Er zouden dus, volgens dit Bijbelgedeelte en de Joden uit die tijd, volgend op de komst van de Messias twee tekens plaatsvinden:
- De wegneming van de scepter of de identiteit van Juda.
- De afschaffing van de rechterlijke macht.
Het eerste teken van het verdwijnen van de scepter uit Juda werd zichtbaar toen Herodes de Grote, die geen Joods bloed had, opvolger werd van de Maccabeese vorsten, die deel uitmaakten van de stam Levi en de laatste Joodse koningen waren die hun troon in Jeruzalem hadden. (Sanhedrin, folio 97, verso.) (Maccabeeën, Boek 2)
LeMann geeft het tweede hoofdstuk van zijn boek Jesus Before the Sanhedrin de titel: “The legal power of the Sanhedrin is restricted twenty-three years before the trial of Christ.” (“De rechtsbevoegdheid van het Sanhedrin wordt drieëntwintig jaar voor Christus’ proces ingeperkt.”) Deze inperking betrof het verlies van de bevoegdheid om het doodvonnis uit te spreken.
Dit gebeurde na de afzetting van Archelaus, de zoon van Herodes, in 11 n. Chr. (Josefus, AJ, boek 17, hoofdstuk 13, 1-5) De procuratoren, die het land in naam van Augustus bestuurden, namen de hoogste macht bij het Sanhedrin weg en oefenden voortaan zelf het jus gladii, het soevereine recht over leven en dood, uit. Aan alle door het Romeinse Rijk onderworpen landen werd de mogelijkheid tot het uitspreken van doodsvonnissen ontnomen. Tacitus schrijft: “De Romeinen behielden zichzelf het zwaardrecht voor, en veronachtzaamden de rest.”
Het Sanhedrin hield echter wel andere rechten:
- Uitsluiting (Johannes 9:22)
- Gevangenneming (Handelingen 4:17, 18)
- Lijfstraffen (Handelingen 16:22)
De Talmoed zelf erkent: “Iets meer dan veertig jaar voor de verwoesting van de tempel werd de bevoegdheid tot het uitspreken van het doodvonnis de Joden ontnomen.” (Talmoed, Jeruzalem, Sanhedrin, folio 24, recto.) Het lijkt echter vrijwel onmogelijk dat het jus gladii tot op dat moment in Joodse handen bleef. Waarschijnlijk werd al het opgeheven ten tijde van Coponius, 7 n. Chr. (Essai sur l’histoire et la géographie de la Palestine, d’après les Talmuds et la géographie de la Palestine, d’après les Talmuds et les autres sources Rabbinique, p. 90: Parijs, 1967.) Rabbi Rachmon zegt: “Toen de leden van het Sanhedrin merkten dat ze van het recht over leven en dood beroofd waren, werden ze bevangen door een algemene consternatie; ze bedekten hun hoofd met as en hun lichaam met zakken en riepen uit: ‘Wee ons, want de scepter is van Juda geweken, en de Messias is niet gekomen!” (LeMann, JBS, 28-30)
Josefus, die ooggetuige was van dit decadente gebeuren, schreef: “Na de dood van procurator Festus, toen Albinus op het punt stond om hem op te volgen, achtte de hogepriester Ananus de gelegenheid gunstig om het Sanhedrin bijeen te roepen. Daarom liet hij Jakobus, de broer van Jezus die de Christus genoemd werd, en verscheidene anderen voor deze haastig bijeengeroepen vergadering voorkomen, en sprak over hen de doodstraf door steniging uit. Alle wijze mannen in Jeruzalem en allen die strikt de wet naleefden spraken hierover hun afkeuring uit…. Sommigen gingen zelfs naar Albinus, die naar Alexandrië vertrokken was, om deze wetsovertreding onder zijn aandacht te brengen, en hem te vertellen over Ananus’ illegale optreden in het bijeenroepen van het Sanhedrin in afwezigheid van het Romeinse gezag.” (Josefus, AJ, 20.9.1)
De Joden, die hun gezicht niet wilden verliezen, bedachten verschillende redenen voor het schrappen van de doodstraf. Zo stelt de Talmoed (Bab., Aboda Zarah, of Over de afgoderij, folio 8, recto.): “De leden van het Sanhedrin, die gemerkt hadden dat het aantal moordenaars in Israël zodanig was toegenomen dat het onmogelijk was hen allen ter dood te veroordelen, hadden onderling besloten: “Het is beter dat wij de plek waar we gewoonlijk bijeenkomen verruilen voor een andere, om geen doodvonnissen meer te hoeven uitspreken.” Hieraan voegt Maimonides in de Const. Sanhedrin, hoofdstuk 14, toe: “Veertien jaar voor de verwoesting van de tweede tempel werden er geen doodvonnissen meer uitgesproken in Israël, hoewel de tempel er nog steeds stond. Dit was een gevolg van het feit dat de leden van het Sanhedrin de zaal van de gehouwen stenen verlieten en daar niet langer vergaderden.” (LeMann, JBS, 30-33)
Lightfoot voegt daaraan toe in Evangelium Matthaei, horoe hebraicoe, pp. 275, 276, Cambridge, 1658:
De leden van het Sanhedrin … hadden het besluit genomen om geen doodvonnissen uit te spreken zolang het land Israël onder Romeins bestuur was, en het leven van de kinderen Israëls hierdoor bedreigd werd. Een zoon van Abraham ter dood veroordelen in een tijd dat Judea van alle zijden onder de voet gelopen wordt en beeft onder het marcheren van de Romeinse legioenen, zou dit geen belediging van het oude bloed van de aartsvaders zijn? Laten wij daarom de zaal der gehouwen stenen verlaten, waarbuiten niemand ter dood veroordeeld kan worden, en laten wij door dit protest – onze vrijwillige verbanning en het zwijgen van de rechtspraak – aantonen dat Rome, hoewel het de wereld regeert, desondanks noch over de levens, noch over de wetten van Judea heerst. (Lightfoot, EM, zoals geciteerd in LeMann, JBS, 33, 34, 38)
De Talmoed (Bab., Sanhedrin, hoofdstuk 4 folio 51b) stelt: “Aangezien het Sanhedrin niet langer rechtsbevoegd was bij halsmisdaden, heeft deze bepaling geen praktisch nut, en kan ze pas in werking treden in de dagen van de Messias” (Nezikin, BT, 346)
Met de ontneming van de rechtsbevoegdheid hield het Sanhedrin op te bestaan. Ja, de scepter was geweken en Juda verloor zijn koninklijke of wettelijke macht. En de Joden wisten het! “Wee ons, want de scepter is van Juda geweken, en de Messias is niet gekomen!” (Talmoed Bab., Sanhedrin, hoofdstuk 4 folio 37, recto.) Ze hadden er geen besef van dat hun Messias een jonge Nazarener was die in hun midden rondliep.



