1E. Belangrijkste kenmerken van deze profetie
(Uit de lesnotities van dr. James Rosscup, Talbot Theological Seminary, Californië)
- Betreft Daniëls volk, Israël, en Daniëls stad, Jeruzalem (v. 24)
- Twee vorsten:
- De Messias (v. 25)
- Toekomstige vorst (v. 26)
- Periode van zeventig weken (v. 24)
- Als één geheel (v. 24)
- Als onderverdeeld in drie perioden: zeven weken, tweeënzestig weken, en één week (vv. 25, 27)
- Begin van de zeventig weken gespecificeerd (v. 25)
- De Messias verschijnt aan het einde van de negenenzestig weken (v. 25)
- Verwoesting van stad en heiligdom door het volk van de toekomstige vorst (v. 26)
- Verbondsluiting tussen Israël en de toekomstige vorst aan het begin van de laatste week (v. 27); dit verbond wordt verbroken halverwege de week (v. 27 NBG, SV)
- Aan het einde van de zeventig weken zal Israël eeuwige gerechtigheid kennen. (v. 24)
2E. Tijdsaanduiding van zeventig weken
Joodse idee van een week:
- Het Hebreeuwse woord voor “week” is shabua, wat letterlijk staat voor een “zeven”. (We moeten ons eigen beeld van een week even helemaal loslaten en vervangen door het beeld dat Gabriël bedoelt.) In het Hebreeuws is het idee van zeventig weken dus “zeventig zevens”.
- De Joden waren niet alleen bekend met een “zeven” van dagen maar ook van jaren. (“Dat was, in bepaalde opzichten, zelfs nog belangrijker.”) (McClain, DPSW, 13)
- Leviticus 25:2-4 illustreert het bovenstaande feit. Leviticus 25:8 (“zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren”, SV) laat zien dat er ook een veelvoud van jaarweken bestond.
Met het oog op het bovenstaande zijn er verschillende redenen om aan te nemen dat de zeventig weken die in Daniël vermeld worden, zeventig “jaarzevens” zijn.
- Daniël dacht eerder in het hoofdstuk ook in termen van jaren en meervouden van zevens (Daniël 9:1 en 2).
- Daniël wist dat de Babylonische ballingschap veroorzaakt was door de schending van het sabbatsjaar, en aangezien ze zeventig jaar in ballingschap geweest waren, was het sabbatsjaar blijkbaar 490 jaar lang geschonden (Leviticus 26:32-35; 2Kronieken 36:21; en Daniël 9:24).
- De context is samenhangend en begrijpelijk wanneer we de zeventig weken als jaren opvatten.
- Shabua wordt gevonden in Daniël 10:2, 3. De context vereist dat het daar gaat om “weken” van dagen. Het zijn letterlijk “drie zevens van dagen”. Als Daniël in 9:24-27 dagen bedoeld had, waarom vinden we dan niet dezelfde uitdrukkingsvorm als in hoofdstuk 10? Het is duidelijk dat er in hoofdstuk 9 jaren bedoeld worden.
3E. Lengte van het profetische jaar
Het kalenderjaar dat in de Schrift gebruikt wordt, moet worden vastgesteld aan de hand van de Schrift zelf.
- Historisch: vergelijk Genesis 7:11 met Genesis 8:4, en deze twee met Genesis 7:24 en Genesis 8:3.
- Profetisch: veel Bijbelteksten verwijzen met verschillende termen naar de grote verdrukking, maar de gemene deler daarin is een jaar van 360 dagen.
Daniël 9:27: het “midden” van de zevende week (klaarblijkelijk 3 ½ jaar (Engelse KJV)).
Daniël 7:24, 25: “een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds” (SV) (letterlijk 3½ tijd)
Openbaring 13:4-7: “tweeënveertig maanden” (3 ½ jaar)
Openbaring 12:13, 14: “een tijd en twee tijden en een halve tijd”
Openbaring 12:6: “duizend tweehonderd zestig dagen” (SV) (1260 dagen of 3 ½ jaar)
4E. Begin van de zeventig weken
Verschillende bevelen of verordeningen in de geschiedenis van Israël zijn aangevoerd als de terminus a quo (het begin) van de zeventig weken. Het zijn:
- Het bevel van Cyrus, 539 v. Chr. (Ezra 1:1-4).
- Het bevel van Darius, 519 v. Chr. (Ezra 5:3-7).
- Het bevel van Artaxerxes, 457 v. Chr. (Ezra 7:11-16).
- Het bevel van Artaxerxes aan Nehemia, 444 v. Chr. (Nehemia 2:1-8). (Hoehner, CALC, 131)
De enige echter die exact lijkt aan te sluiten bij de gegeven is nummer 4, het bevel van Artaxerxes aan Nehemia.
J. D. Wilson merkt op over het beginpunt van de profetie:
Naar dit …bevel wordt verwezen in Nehemia 2. Het was in het twintigste jaar van Artaxerxes. De woorden van het bevel worden niet gegeven, maar het onderwerp ervan is niet moeilijk vast te stellen. Nehemia hoort van de troosteloze toestand van Jeruzalem. Hij heeft diep verdriet. De koning vraagt naar de reden daarvan. Nehemia antwoordt: “Hoe zou ik niet somber zijn als de stad waar mijn voorouders begraven zijn, is verwoest en haar poorten in vlammen zijn opgegaan?’” De koning vraagt hem naar zijn wens. Hij antwoordt onmiddellijk met de vraag om een verordening van de koning: “Zend mij … naar Juda, om de stad te herbouwen.” En zoals we lezen, werd hij daar inderdaad naartoe gestuurd en herbouwde hij Jeruzalem.
Deze opdracht is dus “het bevel om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” [Daniël 9:25 NBG]. Er is geen ander bevel tot herstel van de stad. Dit bevel autoriseert het herstel en het boek Nehemia vertelt hoe het werk uitgevoerd werd. Door de eisen van hun diverse theorieën gedwongen hebben mensen andere bevelen als terminus a quo van hun berekeningen genomen, maar het is niet duidelijk hoe dit mogelijk is zonder twijfels te koesteren. Deze opdracht in Nehemia 2 is het bevel om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen; geen enkel ander bevel geeft toestemming om de stad te herstellen. Alle andere bevelen verwijzen naar de herbouw van de tempel en niets dan dat. (Wilson, DDWD, 141, 142)
Dit bevel werd gegeven in 444 v. Chr., gebaseerd op de volgende argumenten:
- “Het was in de maand nisan, in het twintigste regeringsjaar van Artaxerxes.” (Nehemia 2:1).
- Artaxerxes troonbestijging vond plaats in 465 v. Chr.
- Er wordt geen datum vermeld, dus naar Joods gebruik is de datum op te vatten als de eerste dag van de maand, wat dus 1 nisan 444 v. Chr. is.
- 1 nisan 444 v. Chr. correspondeert met 5 maart 444 v. Chr. op onze kalender.
5E. Einde van de eerste zeven jaarweken
- Het kostte negenenveertig jaar om de stad te herstellen (Daniël 9:25).
- De Hebreeuwse profetie en de oudtestamentische canon in Maleachi worden opvallend genoeg negenenveertig jaar na 444 v. Chr. afgesloten.
Als Daniël gelijk heeft, is de tijd van het bevel om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen (nisan 444 v. Chr.) tot de komst van de Messias naar Jeruzalem 483 jaar (negenenzestig keer zeven), waarbij elk jaar gelijk is aan het Joodse profetische jaar van 360 dagen (173.880 dagen).
De afsluitende gebeurtenis van de negenenzestigste week is Christus’ introductie bij Israël als de Messias, zoals voorzegd in Zacharia 9:9. Harold Hoehner, die deze profetie in Daniël en de corresponderende data zorgvuldig heeft onderzocht, berekent de datum van deze gebeurtenis:
Als we de negenenzestig weken vermenigvuldigen met zeven jaar voor elke week met 360 dagen krijgen we een totaal van 173.880 dagen. Het verschil tussen 444 v. Chr. en 33 n. Chr. is dan 476 zonnejaren. Als we 476 vermenigvuldigen met 365,24219879 of met 365 dagen, 5 uren, 48 minuten, 45,975 seconden [er gaan 365 ¼ dagen in een jaar], komen we op 173.855 dagen, 6 uren, 52 minuten, 44 seconden, ofwel 173,855 dagen. Dat betekent dat er nog maar 25 dagen te verantwoorden hebben tussen 444 v. Chr. en 33 n. Christus. Door de 25 dagen op te tellen bij 5 maart (van 444 v. Chr.) komen we op 30 maart (of 33 n. Chr.) wat 10 nisan was in 33 n. Chr. Dit is de triomfantelijke intocht van Jezus in Jeruzalem. (Hoehner, CALC, 138)
6E. Tijdsinterval tussen de weken negenenzestig en zeventig
Na de afsluiting van de negenenzestig weken en vóór de aanvang van de zeventigste week moesten er twee gebeurtenissen plaatsvinden:
- Het vermoorden van de Messias (Daniël 9:26)
Christus werd gekruisigd op 3 april 33 n. Chr., de vrijdag die volgde op zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem. - De verwoesting van Jeruzalem en de tempel (Daniël 9:26).
Wilson bespreekt dit onderdeel van de profetie:
Daarna stuurde de Romeinse vorst [Titus] een leger dat de stad en de tempel van Jeruzalem volkomen met de grond gelijk maakte. De verwoesting was absoluut. De tempel werd niet alleen verontreinigd, zoals dat gebeurde onder Antiochus Epifanes – hij werd verwoest. Sindsdien is hij niet meer opgericht in Jeruzalem. Aan de joodse tempeldienst kwam een einde. Hij is nooit hervat, en kan dat ook nooit worden. Er is geen priesterschap geweest sinds de val van Jeruzalem; want elke zoon van Aaron werd gedood. Het brengen van priesterlijke offers en het doen van verzoening door de hogepriester is niet meer mogelijk; want met die verschrikkelijke ramp was het oude verbond voorbij. De bezieling en de waarde daarvan kwam ten einde toen het Lam van God geofferd werd op Golgota; veertig jaar lang bleef het echter voortbestaan als een lege huls. Die huls werd weggenomen met de verwoesting van Jeruzalem in 70 n. Chr. (Wilson, DDWD, 148, 149)



