De betekenis van de opstanding

Op vier na alle wereldgodsdiensten zijn gebaseerd op puur filosofische vooronderstellingen. Van de vier die gebaseerd zijn op personen in plaats van op filosofische systemen, maakt alleen het christendom aanspraak op een leeg graf voor zijn stichter. Abraham, de vader van het judaïsme, stierf rond 1900 v. Chr., maar er is nooit beweerd dat hij is opgestaan.

De bekende Bijbelwetenschapper en leraar Wilbur M. Smith zegt in Therefore Stand: “De oorspronkelijke verhalen over Boeddha schrijven hem niets toe wat lijkt op een opstanding; we lezen in zijn oorspronkelijke stervensgeschiedenis, de Mahaparinibbana Sutta, zelfs dat toen Boeddha stierf, dit gebeurde ‘met dat absolute heengaan waarbij niets achterblijft’.” (Smith, TS, 385)

Hij vervolgt: “Professor Childers zegt: ‘Nergens in de Pali-geschriften of commentaren (of voor zover ik weet in welk Pali-boek ook) vinden we de minste suggestie dat Sakya Muni na zijn sterven geleefd heeft of verschenen is aan zijn volgelingen.’ Mohammed stierf op 8 juni 632 n. Chr. op eenenzestigjarige leeftijd in Medina, waar zijn graf jaarlijks door duizenden vrome Mohammedanen bezocht wordt. Al die miljoenen en miljoenen joden, boeddhisten en mohammedanen zijn het erover eens dat hun stichters nooit uit het stof van de aarde verrezen zijn door een opstanding.” (Smith, TS, 385)

William Lane Craig schrijft: “Zonder het geloof in de opstanding zou het christendom niet hebben kunnen ontstaan. De discipelen zouden verpletterd en terneergeslagen gebleven zijn. Zelfs al waren ze Jezus blijven herdenken als hun geliefde leraar, zijn kruisiging zou elke hoop dat Hij de Messias was, gesmoord hebben. Het kruis zou het trieste en vernederende einde van zijn carrière gebleven zijn. De oorsprong van het christendom hangt dan ook af van de vaste overtuiging van de eerste discipelen dat God Jezus uit de dood had opgewekt.” (Craig, KTR, 116,117)

Theodosius Harnack zegt: “Waar je staat met betrekking tot het feit van de opstanding is in mijn ogen geen christelijke theologie meer. Wat mij betreft staat of valt het christendom met de opstanding.” (Harnack, zoals geciteerd in Smith, TS, 437)

William Milligan stelt: “Wanneer we spreken over de positieve bewijzen voor de opstanding van de Heer, dient benadrukt te worden dat dit feit, mits waar, in harmonie is met alle andere feiten van zijn geschiedenis.” (Milligan, RL, 71)

Wilbur M. Smith concludeert: “Als onze Heer meerdere malen, zeer stellig en omstandig zei dat Hij naar Jeruzalem zou gaan, waar Hij ter dood gebracht zou worden, maar op de derde dag uit het graf zou opstaan, en deze voorzegging is uitgekomen, dan denk ik altijd dat al het andere dat onze Heer ooit gezegd heeft, ook waar moet zijn.” (Smith, TS, 419)

Verder zegt W. J. Sparrow-Simpson:

Op de vraag in welke zin de opstanding van Christus een bewijs is van het feit dat Hij de Zoon van God is, kunnen we antwoorden: ten eerste, omdat Hij opstond uit eigen kracht. Hij had de macht om zijn leven af te leggen, en Hij had macht om het weer op te nemen, Johannes 10:18. Dit is niet in tegenspraak met het feit dat in zovele andere gedeelten geleerd wordt dat Hij door de kracht van de Vader werd opgewekt, omdat datgene wat de Vader doet, ook door de Zoon gedaan wordt: de schepping, en alle andere uiterlijke werken worden zonder onderscheid toegeschreven aan Vader, Zoon en Geest. Maar in de tweede plaats: aangezien Christus openlijk verklaard had de Zoon van God te zijn, was zijn opstanding uit de dood Gods zegel op de waarheid van die verklaring. Was Hij in de macht van de dood gebleven, dan had God daarmee zijn bewering dat Hij zijn Zoon was, verworpen; maar doordat Hij Hem uit de doden opwekte, sprak Hij openlijk zijn erkenning uit: “Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je als zodanig verklaard.” (Sparrow-Simpson, RCF, 287-288)

Ook Petrus’ toespraak op de Pinksterdag is geheel en volkomen gegrond op de opstanding. De opstanding is er niet alleen het hoofdthema van, maar als die leer eruit verwijderd zou worden, zou er geen enkele leer overblijven. Want de opstanding wordt verkondigd als (1) de verklaring voor Jezus’ sterven; (2) profetisch voorzien als de ervaring van de Messias; (3) waargenomen door de apostelen; (4) de oorzaak van de uitstorting van de Geest, en zodoende de verklaring van overigens onverklaarbare godsdienstige fenomenen; en (5) de bekrachtiging van de messiaanse en koninklijke positie van Jezus van Nazaret. Dus de hechtheid van de hele serie argumenten en conclusies berust volkomen op de opstanding. Zonder de opstanding zou de messiaanse en koninklijke positie van Jezus niet overtuigend vast te stellen zijn. Zonder de opstanding zou de uitstorting van de Geest een onverklaard mysterie blijven. Zonder de opstanding zou er niets overblijven zijn van de inhoud van het apostolische getuigenis. Alles wat er van deze toespraak restte, zou de messiaanse verklaring van Psalm 16 zijn; en die slechts als een toekomstige ervaring van een nog niet verschenen Messias. De goddelijke goedkeuring van Jezus, bezegeld in zijn werken, zou blijven staan; maar als een goedkeuring die zich schijnbaar niet verder uitstrekte dan zijn leven; een leven dat eindigde als dat van alle andere profeten die niet langer door het volk geduld werden. Vandaar dat de eerste christelijke preek gebaseerd is op Jezus’ positie als gevolg van de opstanding. (Smith, TS, 230)

Zelfs Adolf Harnack, die het geloof van de kerk in de opstanding verwerpt, geeft toe: “Het vaste geloof van de discipelen in Jezus was geworteld in de overtuiging dat Hij niet in de dood gebleven was, maar door God opgewekt. Dat Christus was opgestaan, was, op grond van wat ze in Hem ervaren hadden, zeker nadat ze Hem gezien hadden, even zeker als het feit van zijn sterven, en werd het hoofdonderwerp van hun prediking.” (Harnack, HD, zoals geciteerd in Day, ER, 3)

H. P. Liddon zegt: “Geloof in de opstanding is de absolute sluitsteen van de boog van het christelijke geloof, en wanneer dat verwijderd wordt, stort alles onvermijdelijk ineen.” (Liddon, zoals geciteerd in Smith, TS, 577)

Douglas Groothuis verklaart:

In het Nieuwe Testament weerklinkt en glinstert de werkelijkheid van Jezus’ opstanding. De evangeliën vermelden Jezus’ onderwijs dat Hij verraden en gedood zou worden en weer opstaan. Vervolgens getuigen ze er allemaal van dat zijn graf leeg was en dat Hij aan zijn discipelen verscheen zoals Hij gezegd had. In het boek Handelingen is het centrale thema de prediking van de opgestane Christus. De diverse nieuwtestamentische brieven en het boek Openbaring zouden zonder een opgestane Jezus in het niets oplossen. De opstanding wordt vermeld in alle vier de evangeliën, in de geschiedschrijving van de vroege kerk (Handelingen), in de brieven van Paulus, Petrus, Johannes, Jakobus, Judas en in de brief aan de Hebreeën. Er is een overvloed aan geloofwaardige getuigen. Aangezien de nieuwtestamentische boeken een grote historische betrouwbaarheid vertonen … is dit een goed uitgangspunt voor het aanvaarden van de opstanding als een objectieve werkelijkheid. (Groothuis, JAC, 273)

De opstanding van Christus is zonder uitzondering voortdurend het centrale dogma van de kerk geweest. Wilbur Smith stelt:

Vanaf de eerste dag van haar door God gegeven leven heeft de christelijke kerk eendrachtig getuigd van haar geloof in de opstanding van Christus. De opstanding is te duiden als een van de grondbeginselen van de kerk, en heeft de nieuwtestamentische literatuur zo doordrenkt, dat je, wanneer je alle gedeelten die naar de opstanding verwijzen eruit zou halen, een verzameling geschriften had die zo verminkt was dat wat er over bleef niet te volgen zou zijn. De opstanding doordrenkte het leven van de eerste christenen; ze is terug te vinden op hun graven en op de muurschilderingen in de catacomben; ze drong diep door in de christelijke hymnologie; ze was een van de hoofdthema’s van de grote apologetische werken van de eerste vier eeuwen; ze vormde het steeds weerkerende onderwerp van de prediking, zowel voor als na Nicea. Ze belandde onmiddellijk in de belijdenisformule van de kerk; ze bevindt zich in onze Apostolische Geloofsbelijdenis; ze heeft een plaats in alle geloofsbelijdenissen die volgden.

Alles in het Nieuwe Testament wijst erop dat de kern van het goede nieuws of het evangelie niet was: “Volg deze leraar en doe je best”, maar: “Jezus en de opstanding”. Je kunt dat niet uit het christendom halen zonder het karakter ervan radicaal te veranderen en de hele identiteit ervan te vernietigen. (Smith, TS, 369-370)

Professor Milligan zegt: “Het lijkt dus zo te zijn dat de christelijke kerk vanaf het begin van haar geschiedenis niet alleen in de opstanding van haar Heer geloofde, maar dat haar geloof daarin verweven was met haar hele bestaan.” (Milligan, RL, 170)

W. Robertson Nicoll citeert Pressensé: “Het lege graf van Christus is de wieg van de kerk geweest.” (Smith, TS, 580)

W. J. Sparrow-Simpson zegt: “Als de opstanding geen historisch feit is, is de macht van de dood, en daarmee de uitwerking van de zonde, nog steeds niet verbroken; en is nog steeds niet duidelijk wat de betekenis van Christus’ sterven was, en dus zijn gelovigen nog steeds in hun zonden, precies waar ze waren voor ze Jezus’ naam hoorden noemen.” (Sparrow-Simpson, zoals geciteerd in Hastings, DCG, 514)

R. M’Cheyne Edgar heeft in zijn boek The Gospel of a Risen Saviour gezegd:

Hier is een godsdienstleraar die rustig verklaart dat alles afhangt van zijn vermogen om, nadat Hij ter dood gebracht is, weer uit het graf op te staan. We kunnen veilig aannemen dat niemand daarvoor of daarna ooit iets dergelijks gezegd heeft. Het idee dat deze buitengewone test bedacht is door mystieke profetieënlezers, en in de evangeliën is ingevoegd op de manier waarop dit gebeurd is, doet een al te groot beroep op onze goedgelovigheid. Hij die bereid was om alles te laten afhangen van zijn vermogen om terug te keren uit het graf staat vóór ons als de meest originele van alle leraars, met een leven dat het blinkende bewijs is van zijn Leven! (Edgar, GRS, zoals geciteerd in Smith, TS, 364)

William Lane Craig vestigt de aandacht op wat de opstanding betekende voor de discipelen:

Het valt nauwelijks te overdrijven wat een vernietigend effect de kruisiging gehad moet hebben op de discipelen. Ze konden zich niets voorstellen bij een stervende, laat staan een opstaande Messias, want de Messias zou voor eeuwig regeren (vgl. Johannes 12:34). In het licht van zijn sterven was geloof in Jezus als Messias, zonder een voorafgaand geloof in de opstanding, een onmogelijkheid. De opstanding veranderde een ramp in een overwinning. Omdat God Jezus opwekte uit de dood kon Hij uiteindelijk toch als Messias verkondigd worden (Handelingen 2:32, 36). Idem dito voor de betekenis van het kruis – het was zijn opstanding die het mogelijk maakte Jezus’ schandelijke dood uit te leggen als reddingsplan. Zonder zijn opstanding zou Jezus’ dood alleen maar gestaan hebben voor vernedering en door God vervloekt-zijn, maar in het licht van de opstanding was hij op te vatten als de gebeurtenis die vergeving van zonden bewerkstelligde. Zonder de opstanding zou de christelijke weg er nooit gekomen zijn. Zelfs wanneer de discipelen Jezus waren blijven gedenken als hun geliefde leraar, hadden ze niet in Hem kunnen geloven als Messias, en zeker niet als God. (Craig, DJRD, zoals geciteerd in Wilkins, JUF, 159)

Het volgende vinden we in de Dictionary of the Apostolic Church:

D. F. Strauss bijvoorbeeld, de scherpste en meest meedogenloze van haar [de kerk] critici wat betreft de opstanding, erkent dat zij “het referentiepunt is, niet alleen van het leven van Jezus, maar van het christendom zelf”, dat ze “het hele christendom tot in het hart raakt” en “van doorslaggevend belang is voor de hele kijk op het christendom” (New Life of Jesus, Engelse vertaling, 2 delen, Londen, 1865, 1.41, 397). Als zij verdwijnt, verdwijnt alles wat onmisbaar en essentieel is in het christendom; als zij blijft staan, blijft al het andere ook staan. En daarom hebben de aanvallen op het christelijke geloof zich door de eeuwen heen, te beginnen met Celsus, geconcentreerd op de opstanding. (Hastings, DAC, 330)

“Christus zelf,” zoals B. B. Warfield stelt, “liet welbewust zijn hele geloofwaardigheid afhangen van zijn opstanding. Toen Hem gevraagd werd om een teken wees Hij op dit teken als zijn enige en afdoende ‘bewijs van echtheid’.” (Warfield, zoals geciteerd in Anderson, CWH, 103)

Ernest Kevan zegt over de bekende Zwitserse theoloog Frederick Godet: “In zijn Lectures in Defence of the Christian Faith [1883, p. 41] spreekt hij over het belang van de opstanding van Christus, en wijst erop dat het enkel en alleen dit wonder was, waarnaar Christus verwees als de onderbouwing van zijn beweringen en zijn gezag.” (Kevan, RC, 3)

Michael Green zegt het heel duidelijk:

Voor het christendom is de opstanding niet een van de vele geloofsdogma’s. Zonder geloof in de opstanding zou er helemaal geen christendom zijn. De christelijke kerk zou nooit ontstaan zijn; de Jezusbeweging zou met zijn terechtstelling als een nachtkaars uitgegaan zijn. Het christendom staat of valt met de waarheid van de opstanding. Bewijs dat de opstanding niet heeft plaatsgevonden en het christendom heeft afgedaan.

Het christendom is een historische religie. Het beweert dat God het risico genomen heeft om zichzelf te verwikkelen in de menselijke geschiedenis, en de feiten liggen voor je, klaar voor de strengste beoordeling. Ze zullen elk kritisch onderzoek weerstaan. (Green, MA, 61)

De bekende Britse filosoof John Locke zei over Christus’ opstanding: “De opstanding van onze Verlosser … is in het christendom werkelijk van groot belang; zo groot dat zijn Messias-zijn ermee staat of valt, zodat deze twee belangrijke geloofsartikelen onscheidbaar en in feite één zijn. Want vanaf die tijd geldt: geloof in het ene en je gelooft in allebei: ontken één ervan, en je kunt ze geen van beide geloven.” (Smith, TS, 423)

De kerkhistoricus Philip Schaff concludeert: “De opstanding van Christus is dus uitdrukkelijk een testvraag waarvan de waarheid of de onwaarheid van de christelijke godsdienst afhangt. Het is ofwel het grootste wonder, ofwel de grootste hersenschim in de geschiedschrijving.” (Schaff, HCC, 173)

Wilbur M. Smith zegt: “Er is en er zal nooit enig wapen gesmeed worden dat ons rationele geloof in de historische verslaglegging van deze buitengewoon belangrijke en voorspelde gebeurtenis teniet kan doen. De opstanding van Christus is het bolwerk van het christelijke geloof. Dit is de leer die in de eerste eeuw de wereld op zijn kop zette, die het christendom ver boven het jodendom en de heidense godsdiensten van de mediterrane wereld verhief. Als de opstanding bezwijkt, betekent dat ook het einde van hoegenaamd al het andere wat essentieel en uniek is in het evangelie van de Heer Jezus Christus: “Maar als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos” (1Korintiërs 15:17). (Smith, SR, 22)

Peter Kreeft en Ronald K. Tacelli beschrijven de ongelofelijke invloed van de opstanding:

De opstanding is van cruciaal praktisch belang omdat ze onze verlossing voltooit. Jezus kwam om ons van de zonde en zijn gevolg, de dood, te verlossen (Romeinen 6:23). De opstanding zorgt ook voor een scherp onderscheid tussen Jezus en alle andere godsdienststichters. Het gebeente van Abraham en Mohammed en Boeddha en Confucius en Lao-Tse en Zarathustra bevindt zich nog steeds hier op aarde. Jezus’ graf is leeg.

De existentiële consequenties van de opstanding zijn weergaloos. De opstanding is het concrete, feitelijke, empirische bewijs dat: het leven hoop en zin heeft; “liefde sterker is dan de dood”; goedheid en macht uiteindelijk bondgenoten, en geen vijanden zijn; het leven ten slotte overwint; God ons heeft aangeraakt en onze laatste vijand verslagen heeft; we geen kosmische wezen zijn, zoals ons seculiere wereldbeeld ons ingeeft. En deze existentiële consequenties van de opstanding blijken als we kijken naar de discipelen, voor en na de opstanding. Ervoor vluchtten ze, verloochenden ze hun Meester en kropen ze angstig en verward bij elkaar achter gesloten deuren. Erna veranderden ze van angsthazen in overtuigde heiligen, wereldveranderende zendelingen, moedige martelaars en blijde rondtrekkende ambassadeurs van Christus. (Kreeft HC, 177)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Search engine optimization by SEO Design Solutions