1B. De opstanding van Christus als een gebeurtenis in de geschiedenis met een tijd- en ruimteaspect

De opstanding van Christus is een gebeurtenis in de geschiedenis waarin God handelde in tijd en ruimte. Hierover zegt Wilbur Smith:

De betekenis van de opstanding is een theologische kwestie, maar het feit van de opstanding is een historische kwestie; de aard van het opstandingslichaam van Jezus mag dan een mysterie zijn, maar het feit dat het lichaam uit het graf verdween, is een kwestie waarover historische bewijzen uitsluitsel moeten geven.

De plaats is geografisch bepaald, de man die de eigenaar van het graf was leefde in de eerste helft van de eerste eeuw; dat graf was een rotsgraf in een heuvel in de buurt van Jeruzalem, en bestond niet uit een soort mythologisch spinrag of een stofwolk, maar had een geografische dimensie. De wachters die voor dat graf werden gezet waren geen etherische wezens van de Olympus; het Sanhedrin was een groep mannen die regelmatig vergaderde in Jeruzalem. Zoals een geweldige hoeveelheid literatuur ons vertelt was deze persoon, Jezus, wat Hij nog meer geweest moge zijn, een levende persoon, een mens onder de mensen, en de discipelen die er op uittrokken om de opgestane Heer te verkondigen waren mensen onder de mensen, mannen die aten, dronken, sliepen, leden, werkten, stierven. Wat is hier “leerstellig” aan? Dit is een historisch probleem. (Smith, TS, 386)

Van Ignatius (ca. 50-115 n. Chr.), bisschop van Antiochië, geboren in Syrië en leerling van de apostel Johannes, wordt gezegd dat hij “in het Colosseum te Rome voor de wilde dieren geworpen werd. Hij schreef zijn brieven terwijl hij van Antiochië op weg was naar zijn martelaarschap” (Moyer, WWCH, 209). Op een ongetwijfeld uiterst nuchter moment zegt hij over Christus:

Hij werd gekruisigd en stierf onder Pontius Pilatus. Hij werd daadwerkelijk, en niet alleen in schijn, gekruisigd, en stief, voor het oog van hen die in de hemel, op de aarde, en onder de aarde zijn.

Hij stond ook weer op, na drie dagen. … En op de dag van de voorbereiding, op het derde uur, werd Hij veroordeeld door Pilatus, onder toelating van de Vader; op het zesde uur werd Hij gekruisigd; op het negende uur gaf Hij de geest; en voor zonsondergang was Hij begraven.

Tijdens de sabbat bleef Hij in de aarde in het graf waarin Josef van Arimatea Hem gelegd had.

Hij werd gedragen in de moederschoot, net als wij, gedurende de gebruikelijke periode; en werd werkelijk geboren, net als wij; en werd werkelijk gevoed met melk, en nam deel aan voedsel en drank, net als wij. En toen Hij dertig jaar lang onder de mensen verkeerd had, werd Hij gedoopt door Johannes, werkelijk en niet in schijn; en toen Hij drie jaar het evangelie gepredikt had en tekenen en wonderen gedaan had, werd Hij die zelf Rechter was, berecht door de ten onrechte zo genoemde Joden, en door de gouverneur, Pilatus; werd gegeseld, op de wang geslagen; bespuwd; Hij droeg een doornenkroon en een purperen mantel; Hij werd veroordeeld: Hij werd werkelijk gekruisigd, en niet in schijn; niet in de verbeelding, en niet in misleiding. Hij stierf werkelijk, en werd begraven, en stond op uit de dood. (Ignatius, IET, zoals geciteerd in Roberts, ANCL, 199-203)

De geniale historicus Alfred Edersheim spreekt over de exacte tijd van Christus’ dood en opstanding:

De korte lentedag neigde naar de “avond van de sabbat”. Algemeen gesproken zei de Wet dat het lichaam van een misdadiger ’s nachts niet onbegraven mocht blijven hangen. Misschien hadden de Joden in normale omstandigheden niet de vrijmoedigheid gehad om Pilatus te vragen het lijden van de gekruisigden te verkorten, aangezien het bij een straf als de kruisiging meestal geen uren, maar dagen duurde voordat de dood intrad. Maar dit was een speciale gelegenheid. De sabbat die op het punt stond te beginnen was een “hoogtijdag” – het was zowel een sabbat als de tweede dag van Pesach, die in alle opzichten werd gezien als even heilig als de eerste – nee, heiliger zelfs, omdat op die dag de zogenaamde beweeggarve dan aan de Heer werd aangeboden. (Edersheim, LTMJ, 612-613)

Wilbur Smith merkt op: “We kunnen eenvoudigweg stellen dat we meer weten over de details van de uren direct voor, en het daadwerkelijke sterven van Jezus, in en dichtbij Jeruzalem, dan over het sterven van wie dan ook in de oude wereld.” (Smith, TS, 360)

“Justinus Martyr (ca. 100-165), filosoof, martelaar, apologeet…. Als ernstig zoeker naar de waarheid klopte hij achtereenvolgens op de deur van het stoïcisme, het aristotelianisme, het pythagorisme, en het platonisme, maar haatte hij het epicurisme. … Deze ijverige platonist werd christen. Hij zei: ‘Alleen zijn filosofie is mij veilig en winstgevend gebleken.’” (Moyer, WWCH, 227)

En inderdaad kwam Justinus Martyr tot het bewustzijn dat terwijl de filosofische systemen van de wereld intellectuele proposities aanboden, alleen het christendom God zelf aanbood die door Jezus Christus tussenbeide kwam in tijd en plaats. Heel direct stelt hij: “Christus werd 150 jaar geleden geboren onder Cyrenius (Quirinius).“ (Martyr, zoals geciteerd in Roberts, ANCL, 46)

Tertullianus (ca. 160-220) van Carthago, in Noord-Afrika, schreef: “Maar de Joden ergerden zich zo aan zijn onderwijs waardoor hun leiders en oversten overtuigd raakten van de waarheid, voornamelijk omdat zovelen achter Hem aan gingen, dat ze Hem ten slotte voor Pontius Pilatus leidden, in die tijd de Romeinse gouverneur van Syrië, en hem door het geweld van hun protest een oordeel afdwongen dat Hem aan hen overleverde om gekruisigd te worden. (Tertullianus, WQSFT, zoals geciteerd in Roberts, ANCL, 94)

Christus’ hemelvaart is volgens Tertullianus “een feit dat veel zekerder is dan de beweringen van uw Proculi over Romulus.” (Proculus was een Romeinse senator die beweerde dat Romulus na zijn dood aan hem verschenen was).

Al deze dingen deed Pilatus met Christus: en nu, feitelijk zelf een christen in zijn eigen overtuiging, stuurde hij bericht over Hem naar de heersende keizer, in die tijd Tiberius. Ja, en ook de keizers zouden geloofd hebben in Christus, als de keizers niet nodig waren geweest voor de wereld, of als christenen keizer hadden kunnen zijn. Ook zijn discipelen, die zich over de wereld verspreidden, deden wat hun goddelijke Meester hun verzocht had; en nadat ze zelf vreselijk geleden hadden onder de vervolgingen door de Joden, en dat niet met een onwillig hart, maar met een vast geloof in de waarheid, zaaiden ze uiteindelijk door het wrede zwaard van Nero het zaad van het christelijke bloed te Rome. (Tertullianus, WQSFT, zoals geciteerd in Roberts, ANCL, 95)

Josefus, een Joodse historicus die schreef aan het einde van de eerste eeuw n. Chr., geeft dit fascinerende gedeelte in Antiquitates 18.3.3:

Nu was daar rond die tijd Jezus, een wijze man, als het terecht is hem een man te noemen, want hij was een wonderdoener, een leraar van mensen die de waarheid met genoegen aanvaarden. Hij trok velen van de Joden en velen van de heidenen tot zich. Hij was [de] Christus; en toen Pilatus, op aandringen van de meest vooraanstaande mannen onder ons, hem tot het kruis veroordeeld had, verlieten zij die vanaf het begin van hem gehouden hadden, hem niet. Want hij verscheen op de derde dag weer levend aan hen, zoals de goddelijke profeten dit en vele wonderlijke dingen over hem voorspeld hadden; en de christenen, naar hem genoemd, zijn tot op deze dag niet uitgestorven. (Josefus, AJ, 18.3.3)

Er zijn pogingen gedaan om aan te tonen dat Josefus dit niet geschreven kan hebben (zie het artikel “Het getuigenis van Josefus“). Echter, “dit gedeelte” schrijft Michael Green in Man Alive, “bevond zich in de tekst van Josefus die in de vierde eeuw door Eusebius gebruikt werd.” Het wordt ook “geciteerd in de meest recente uitgave van zijn werken door Loeb. En het is nog treffender wanneer we ons bedenken dat Josefus, verre van sympathiek tegenover christenen, een Jood was die schreef om de Romeinen te plezieren. Dit verhaal zou hun absoluut geen plezier gedaan hebben. Hij zou het toch nauwelijks hebben opgenomen als het niet waar was.” (Green, MA, 35-36)

Leaney zegt over het historische karakter van het geloof van de vroege kerk:

Op grond van het Nieuwe Testament zelf valt er niet aan te ontkomen om de zaak als volgt weer te geven: Jezus werd gekruisigd en begraven. Zijn volgelingen waren zwaar terneergeslagen. Heel kort daarna waren ze uiterst opgetogen en vertoonden ze een zekerheid die hen via een leven van toewijding tot de marteldood bracht. Als we hun door middel van hun geschriften vragen wat deze verandering veroorzaakte, antwoorden ze niet: “De groeiende overtuiging dat wij voor de dood bestemd waren maar dat de gekruisigde en gestorvene leefde,” maar “Jezus die dood was verscheen na zijn sterven levend aan enkelen van ons en de rest van ons geloofde hun getuigenis.” Het is het opmerken waard dat deze manier van verwoording een historische uitspraak is, net als de historische uitspraak: “De Heer is werkelijk opgestaan”, die mensen ertoe gebracht heeft te gaan geloven. (Leaney, zoals geciteerd in Hanson, A., VEHBC, 108)

Sprekend over de forensische aard van de nieuwtestamentische verhalen, schrijft Bernard Ramm: “In Handelingen 1 vertelt Lucas ons dat Jezus zichzelf levend vertoonde met vele ontwijfelbare bewijzen (en pollois tekmeriois), een uitdrukking die wijst op de sterkste vorm van wettelijk bewijs.” (Ramm, PCE, 192)

Ook Clark Pinnock zegt:

De zekerheid van de apostelen was gegrond op hun ervaring in de feitelijke wereld. Jezus vertoonde zich levend aan hen “met vele ontwijfelbare bewijzen” (Handelingen 1:3) De term die Lucas gebruikt is tekmerion, wat duidt op een aantoonbaar bewijs.

Het waren onmiskenbare empirische bewijzen die de discipelen tot hun Paasgeloof brachten en nu aan ons ter beschikking staan dankzij hun geschreven getuigenis. Het is belangrijk dat wij in een tijd die vraagt om bewijzen ter ondersteuning van de christelijke claims, die vraag beantwoorden met sluitende historische argumenten. Want de opstanding bevindt zich op het gebied van de historische feiten, en biedt mensen een uitstekende motivatie om Christus als hun Verlosser aan te nemen. (Anderson, DCR, 11)

Ernest Kevan geeft verdere argumenten voor de feitelijkheid van deze getuigenissen:

Het boek over de Handelingen der Apostelen werd ergens tussen 63 n. Chr. en de val van Jeruzalem in 70 n. Chr. geschreven door Lucas. Hij verklaart in het voorwoord van zijn evangelie dat hij zijn informatie heeft ingewonnen bij ooggetuigen, en we mogen concluderen dat hij ook zo te werk gegaan is bij het samenstellen van Handelingen. Bovendien nam Lucas zelf, zoals blijkt uit het gebruik van “wij” in bepaalde fragmenten van de geschiedenis, deel aan sommige gebeurtenissen die hij omschrijft. Hij zat er middenin tijdens de eerste prediking, en maakte deel uit van de geweldige gebeurtenissen tijdens de begindagen. Lucas is dan ook een tijdgenoot en getuige uit de eerste hand. … We kunnen onmogelijk veronderstellen dat de Vroege Kerk haar eigen geschiedenis niet kende, en het feit dat de Kerk dit boek aanvaardde is een bewijs dat het waarheidsgetrouw is. (Kevan, RC, 4-5)

Met een citaat van een bekende christenwetenschapper wijst Kevan erop dat “de Kerk niet alleen veel te heilig is voor een verrot fundament, maar ook veel te echt voor een mythisch fundament.” (Kevan, RC, 4- 5)

Professor Kevan zegt over de nieuwtestamentische brieven: “We hebben het onaantastbare bewijs van de brieven van de apostel Paulus. Deze brieven vormen een historisch bewijs van de eerste orde. De brieven aan de Galaten, de Korintiërs, en de Romeinen, waarvan bijna niemand de echtheid en de datering betwist, stammen uit de tijd van Paulus’ zendingsreizen, en zijn te dateren in de periode van 55 – 58 n. Chr. Dit brengt het bewijsmateriaal voor de opstanding nog dichter bij het gebeuren: de tussentijd bedraagt slechts vijfentwintig jaar. Aangezien Paulus zelf duidelijk maakt dat het onderwerp van zijn brief hetzelfde was als dat waarover hij met hen gesproken had toen hij bij hen was, voert dat het bewijsmateriaal naar een nog eerdere periode.” (Kevan, RC, 6)

Bernard Ramm zegt: “Zelfs de meest oppervlakkige lezing van de evangeliën onthult dat de evangeliën over het sterven en de opstanding van Christus veel meer details geven dan over welk ander aspect van Christus’ bediening ook. De details over de opstanding mogen niet kunstmatig losgemaakt worden van de Paasgeschiedenis.” (Ramm, PCE, 191-192)

Christus verscheen vele malen na zijn opstanding. Deze verschijningen vonden plaats op specifieke momenten in het leven van specifieke individuen, en waren bovendien beperkt tot specifieke locaties.

Wolfhart Pannenberg, “hoogleraar systematische theologie aan de universiteit van München, heeft gestudeerd onder Barth en Jaspers, en heeft zich voornamelijk beziggehouden met vragen betreffende de relatie tussen geloof en geschiedenis. Met een klein groepje toegewijde Heidelbergse theologen heeft hij een theologie ontworpen die het als haar eerste taak ziet om de historische gegevens van de oorsprong van het christendom nauwkeurig na te gaan.” (Anderson, DCR, 9)

Deze briljante geleerde stelt: “Of de opstanding van Jezus al dan niet plaatsgevonden heeft is een historische vraag, en op dit punt is de historische vraag onvermijdelijk. En dus moet de vraag beantwoord worden op een historisch argumentatieniveau.” (Anderson, DCR, 10)

De nieuwtestamenticus C. H. Dodd schrijft: “De opstanding blijft een gebeurtenis binnen de geschiedenis.” (Straton, BLR, 3)

Met een citaat van Cambridge-hoogleraar C. F. D. Moule stelt J. N. D. Anderson:

Vanaf het allereerste begin stond of viel hun bestaan met de overtuiging dat Jezus uit de dood was opgewekt. Er was geen enkel ander motief dat [het bestaan van de christenen] verklaarde …. Op geen enkel punt in het Nieuwe Testament vinden we enig bewijs dat de christenen stonden voor een nieuwe levensfilosofie of ethiek. Hun enige functie is getuigen van wat volgens hen een feit is – de opstanding van Jezus uit de doden…. Het enige onderscheidende waar de christenen voor stonden was hun verklaring dat Jezus volgens Gods plan uit de dood was opgewekt, en hun daaruit voortvloeiende oordeel dat Hij, in unieke zin, Zoon van God en representatief mens was, en het vervolgens daaruit voortvloeiende idee van de weg tot verzoening. (Anderson, CWH, 100-101)

J. Sparrow-Simpson zegt:

De opstanding van Christus is het fundament van het apostolische christendom en dit evenzeer om dogmatische als om juridische redenen…. Hun bewustzijn van het fundamentele karakter van de opstanding blijkt uit de positie die ze inneemt in hun getuigenis. … Een apostel wordt ingewijd om te getuigen van de opstanding (Handelingen 1:22). De inhoud van Paulus’ christendom werd in Athene gezien als “Jezus en de opstanding” (17:18). De vroege gedeelten van Handelingen herhalen telkens de bewering: “Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.” (Anderson, CWH, 32)

Het is het historische feit van zijn opstanding waardoor mensen kunnen geloven in zijn verheven positie. Het is niet puur een kwestie van de deugdzame invloed van zijn karakter, voorbeeld en onderwijs. Waar het op neer komt is dat ze zich door dit geloof aan Hem hebben overgegeven als hun Verlosser, iets wat anders niet te rechtvaardigen is. Want degenen die zijn opstanding ontkennen, ontkennen over het algemeen ook zijn goddelijkheid en zijn verlossingswerk in enige vorm die bij Paulus erkenning zou vinden. (Sparrow-Simpson, geciteerd in Hastings, CDG, 513-514)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Search engine optimization by SEO Design Solutions