3B. Het getuigenis van de vroege kerkvaders

W. J. Sparrow-Simpson zegt: “Naast de christologie nam de leerstelling van de opstanding in de vroegchristelijke literatuur ongetwijfeld de voornaamste plaats in. We vinden vele verwijzigen in het subapostolische tijdperk, maar in de tweede eeuw ontstaan er verhandelingen die exclusief aan het onderwerp gewijd zijn, zoals, bijvoorbeeld, Athenagoras, en het werk dat wordt toegeschreven aan Justinus Martyr.” (Sparrow-Simpson, RCF, 339)

Bernard Ramm merkt op: “Zowel in de kerk- als in de belijdenisgeschiedenis wordt de opstanding vanaf het allereerste begin bevestigd. Ze wordt genoemd in het oudste document van de kerkgeschiedenis, Clemens van Romes Brief aan de Korintiërs (95 n. Chr.), en vervolgens door heel de patristische periode heen. Ze verschijnt in alle vormen van de Apostolische Geloofsbelijdenis en is nooit onderwerp van discussie geweest.” (Ramm, PCE, 192)

Sparrow-Simpson zegt:

De inhoud van het evangelie van Ignatius [ca. 5 - 110] is Jezus Christus, en de christelijke religie bestaat uit “geloof in Hem en liefde tot Hem, in zijn lijden en opstanding”. Hij spoort christenen aan om “ten volle overtuigd te zijn van de geboorte en het lijden en de opstanding.” Jezus Christus wordt geschilderd als “onze hoop door middel van de opstanding”. De opstanding van Jezus is ook een belofte van onze opstanding. (Sparrow-Simpson, RCF, 339)

Sparrow-Simpson voegt daar aan toe: “In de brief van Polycarpus aan de Filippenzen (ongeveer 110 n. Chr.) spreekt de schrijver over onze Heer Jezus Christus die ‘zoveel verdragen heeft dat Hij zelfs de dood inging voor onze zonden, die door God is opgewekt en de weeën van de dood heeft ontbonden.’ Hij zegt dat God ‘onze Heer Jezus Christus heeft opgewekt uit de doden en Hem, aan Wie alle dingen in hemel en op aarde onderworpen waren, eer en een troon aan zijn rechterhand gegeven heeft.’ De opgestane Jezus ‘komt als Rechter van de levenden en de doden.’ En ‘Hij die Hem heeft opgewekt uit de doden zal ook ons opwekken, wanneer wij zijn wil doen en in zijn geboden wandelen.’

Voor Polycarpus is de verheerlijkte Jezus ‘de eeuwige Hogepriester’. Het laatste gebed van de godvruchtige bisschop voor zijn marteldood was dat hij ‘met de martelaren deel zou mogen hebben aan de beker van Christus, tot de opstanding tot het eeuwige leven, van ziel en lichaam in de onvergankelijkheid van de heilige Geest.’” (Sparrow-Simpson, RCF, 341)

Professor Sparrow-Simpson zegt over Justinus Martyrs verhandeling over de opstanding (ca. 100-165) dat deze “een specifiek christelijke leerstelling behandelt. In die tijd beweerden tegenstanders van het geloof het volgende: de opstanding was onmogelijk; onwenselijk, aangezien het vlees de oorzaak van de zonde is; en ondenkbaar, omdat het voortbestaan van organen geen enkel nut heeft. Verder hielden ze vol dat de opstanding van Christus slechts fysieke schijn was en geen fysieke werkelijkheid. Op deze tegenwerpingen en problemen [ging] Justinus [in]…” (Sparrow-Simpson, RCF, 342)

Elgin Moyer noemt in Who Was Who in Church History een andere kerkvader, Quintus Septimium Florens Tertullianus: “(ca. 160 – 220). Latijnse kerkvader en apologeet, geboren in het Noord-Afrikaanse Carthago.… Een grondige opleiding bereidde hem voor op een succesvol schrijverschap, zowel in het Grieks als het Latijn, op de politiek, de rechtspraktijk, en de retorica. Dertig of veertig jaar lang leidde hij een losbandig leven. Rond 190 nam hij met volle overtuiging het christendom aan. De rest van zijn leven was gewijd aan de verdediging van het christelijke geloof tegenover heiden, jood, en ketter. Hij was … een vurige verdediger van het geloof.” (Moyer, WWCH, 401)

Bernard Ramm concludeert: “Ongeloof zal het hele getuigenis van de vaderen moeten ontkennen…. Het zal moeten aannemen dat deze mannen niet beschikten over ofwel de motivatie of de historische normen voor een diepgaand onderzoek naar de opstanding van Christus. De vaderen, als gezaghebbend of bijzonder gezaghebbend beschouwd door de Oosters-orthodoxe Katholieke Kerk en de Rooms-katholieke Kerk en de Anglicaanse Kerk, gerespecteerd door de Reformatoren en op hun waarde geschat door alle theologen, worden afgeschreven vanwege ongeloof. Men acht ze betrouwbaar als informatieverstrekkers over de apostolische theologie, maar in kwesties van feitelijkheid gunt men hun getuigenis geen greintje bewijskracht. En daar valt ook niet aan te ontkomen, want anders zou de zaak van het ongeloof niet kunnen standhouden.” (Ramm, PCE, 206)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate