Omdat Jezus zelf het lichamelijke karakter van zijn opstanding aanvoerde als bewijs voor het feit dat Hij uit de dood was opgestaan, en dit bij implicatie zijn bewering staafde dat Hij de vleesgeworden God was, ondermijnt de kritische stelling dat Hij enkel een onstoffelijk opstandingslichaam had, de goddelijkheid van Christus. Het pure feit van het lege graf bewijst net zo min de opstanding van Jezus als het verdwenen-zijn van een lichaam uit een mortuarium bewijst dat er iemand is opgestaan. De waarheid van het christendom is gebaseerd op Christus’ lichamelijke opstanding.
Norman Geisler zegt het zo: “Als Christus niet is opgestaan in hetzelfde fysieke lichaam dat in het graf gelegd werd, verliest de opstanding haar waarde als bewijs voor zijn bewering dat Hij God is (Johannes 8:58; 10:30). De opstanding vormt geen bevestiging voor Jezus’ bewering dat Hij God was, tenzij Hij werd opgewekt in het lichaam waarin Hij gekruisigd werd. Dat lichaam was een feitelijk, fysiek lichaam. Tenzij Jezus opstond in een stoffelijk lichaam, is zijn opstanding op geen enkele manier te verifiëren. Ze verliest haar historisch overtuigende waarde.” (Geisler, BR, 36)



