Anderson komt tot de conclusie: “Deze theorie kan de toets niet doorstaan.” (Anderson, DCR, 95) W. J. Sparrow-Simpson zegt dat ze nu “in onbruik geraakt” is. (Fallow, PCBE, 510) Ik heb er het volste vertrouwen in dat de volgende punten zullen aantonen waarom deze mannen tot een dergelijke conclusie kwamen.
1D. Christus stierf aan het kruis, volgens het oordeel van de soldaten, van Josef, en van Nikodemus.
Paul Little schrijft over de bezwijmingstheorie: “Het is veelzeggend dat ons vanuit de oudheid, onder alle gewelddadige aanvallen die er tegen het christendom gelanceerd werden, niet de minste suggestie van iets dergelijks is overgeleverd. Al de vroegste verslagen gaan heel nadrukkelijk uit van Jezus’ dood.” (Little, KWhyB, 65)
T. J. Thorburn noemt de volgende zaken waaraan Christus in handen van Pilatus geleden heeft: “De doodsangst in de hof, de middernachtelijke gevangenneming, de brute behandeling in de binnenplaats van het paleis van de hogepriester en in het pretorium van Pilatus, het uitputtende heen-en-weertrekken tussen Pilatus en Herodes, de afschuwelijke Romeinse geseling, de gang naar Golgota, waarbij Hij viel, uitgeput door de overbelasting van zijn krachten, de kwellende foltering van de kruisiging, en de daaruit voortvloeiende dorst en koortsachtigheid.” (Thorburn, RNMC, 183-185)
Thorburn merkt op: “Het is moeilijk voor te stellen hoe zelfs de allersterkste man na het meemaken van al deze dingen, niet zou bezwijken en sterven. Bovendien weten we uit verslagen dat gekruisigden, zelfs onder de meest gunstige omstandigheden, zelden herstelden.” (Thorburn, RNMC, 183-185)
Hij besluit met: “We kunnen de onoverkomelijke bezwaren tegen deze theorie niet beter verwoorden dan zo … : ‘Dus,’ zegt Keim, ‘hier komt het meest onmogelijke van allemaal: de arme, zwakke Jezus, zichzelf met moeite overeind houdend, zich verbergend, vermommend en uiteindelijk stervend – deze Jezus een voorwerp van geloof, van verheven emotie, van de triomf van zijn aanhangers, een verrezen overwinnaar, en Zoon van God! Op dit punt begint de theorie goedkoop te worden, absurd, en niets dan verwerping waardig.” (Thorburn, RNMC, 183-185)
J. N. D. Anderson zegt over de hypothese dat Jezus niet gestorven is:
Wel… ze is bijzonder ingenieus. Maar ze kan de toets niet doorstaan. Om te beginnen werden er stappen ondernomen – lijkt het – om zich ervan te gewissen dat Jezus werkelijk dood was. Dat is ongetwijfeld de betekenis van de speerstoot in zijn zij. Maar neem nu eens het hypothetische geval dat Hij niet helemaal dood was. Geloof je echt dat urenlang zonder enige medische verzorging in een uit de rotsen gehouwen graf liggen, en dat met Pasen, wanneer het behoorlijk koud is in Palestina, Hem weer zover op krachten zou hebben gebracht, in plaats van een onvermijdelijk eind aan zijn kwijnende bestaan te maken, dat Hij zichzelf kon ontdoen van meters en meters graflinnen, verzwaard met kilo’s specerijen, een steen wegrollen waaraan drie vrouwen zich niet wilden vertillen, en kilometers lopen op verwonde voeten? (Anderson,RJC,7)
Zoals John R. W. Stott vraagt, moeten wij geloven
dat Hij na de ontberingen en de pijn van berechting, bespotting, geseling en kruisiging zesendertig uur kon overleven in een stenen grafgewelf, zonder warmte of voedsel of medische zorg? Dat Hij werkelijk voldoende op krachten kon komen om de bovenmenselijke daad te verrichten van het wegschuiven van het rotsblok dat de ingang van het graf afsloot, en dat zonder dat de Romeinse wacht het merkte? Dat Hij vervolgens, zwak en hongerig, op zo’n manier aan de discipelen kon verschijnen dat zij de indruk kregen dat Hij de dood had overwonnen? Dat Hij vervolgens kon beweren dat Hij gestorven en opgestaan was, hen de wereld in kon sturen en beloven bij hen te zijn tot het einde van de tijd? Dat Hij zich ergens veertig dagen lang kon verstoppen en af en toe bij verrassing verschijnen en tenslotte zonder enige verklaring verdwijnen? Zo’n geloof is ongelofelijker dan Tomas’ ongeloof. (Stott, BC, 48-49)
Over de moderne rationalisten die de opstanding van Christus ontkennen schrijft E. Le Camus:
Ze zeggen: “Als Hij is opgestaan, was Hij niet dood, of als Hij stierf, is Hij niet opgestaan.”
Twee evenzeer vaststaande feiten werpen licht op dit dilemma. Het eerste is dat Jezus op vrijdagavond dood was; en het tweede dat Hij vol leven verscheen op zondag en de daarop volgende dagen.
Dat Hij dood was op vrijdag werd door niemand betwijfeld: noch in het Sanhedrin, noch in het Pretorium, noch op Golgota. Pilatus was de enige die verbaasd was dat Hij al zo snel de geest gegeven had, maar zijn verbazing leidde alleen maar tot een nieuw getuigenis dat de verzekering van hen die om zijn lichaam gevraagd hadden, ondersteunde.
Vandaar dat vriend en vijand die naar de gekruisigde keek, duidelijk zag dat Hij niet meer was. Om het bewijs te versterken doorboorde de centurio hem met zijn speer, en het lijk bewoog niet. Uit de wond stroomde een mengsel van water en bloed, wat getuigde van een snelle ontbinding van de vitale delen. Een bloeding, zegt men, is fataal bij een flauwte. Hier heeft ze Hem die al dood was, niet gedood. Want de omstandigheden waarin ze plaatsvond bewijzen dat Jezus enkele ogenblikken daarvoor al niet meer leefde. En het komt zelfs bij zijn meest intelligente vijanden, zoals de hogepriesters, niet op om twijfel te zaaien rond de realiteit van zijn dood. Alles wat zij vrezen is bedrog van de zijde van de discipelen, die het lichaam kunnen wegnemen, maar niet van de zijde van Jezus die ze hebben zien overlijden. Hij werd van het kruis gehaald, en net zoals Hij geen teken van leven vertoond had bij de speerstoot van de soldaat, ligt Hij ook nu stil en koud in de liefdevolle armen die Hem, na Hem overdekt te hebben met de bewijzen van hun verslagenheid en hun liefde, optillen, wegdragen, balsemen, omhullen en in het graf leggen. Kunnen we ons een volkomener bezwijming indenken dan deze, of één op een beter moment? Mogen we eraan toevoegen dat dit inderdaad een hoogst fortuinlijke afloop zou zijn van een leven dat op zich al zo buitengewoon in zijn heiligheid en vruchtbaar in zijn uitwerking was. Dit zou een onmogelijke samenloop van omstandigheden zijn! Het zou wonderbaarlijker zijn dan de opstanding zelf! (Le Camus, LC, 485-486)



