1C. De zienswijze

Volgens deze zienswijze hebben de discipelen ’s nachts het lichaam uit het graf gestolen.


1D. Bij Matteüs lezen we over de heersende theorie van zijn tijd om de opstanding van Christus weg te redeneren:

Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. Die vergaderden met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven en hun op te dragen: “Zeg maar: ‘Zijn leerlingen zijn ‘s nachts gekomen en hebben hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.’ En mocht dit de prefect ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.” Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde (Matteüs 28:11-15).


2D. Dat de diefstaltheorie zoals vermeld in Matteüs een tijd lang populair was onder de Joden, zien we in de geschriften van Justinus Martyr, Tertullianus, en anderen.

Professor Thorburn merkt op:

In Justinus’ Dialoog met Trypho 108, spreekt de Jood over “ene Jezus, een Galileese bedrieger, die wij gekruisigd hebben; maar zijn discipelen hebben Hem ’s nachts uit het graf gestolen waarin Hij gelegd werd nadat Hij van het kruis was gehaald, en nu bedriegen ze de mensen door te stellen dat Hij uit de dood is opgestaan en naar de hemel gevaren.”

Zo zegt ook Tertullianus (Apologia 21): “Het graf werd leeg aangetroffen op de kleding van de begraven man na. Maar desondanks beweerden de leiders van de Joden, die er zowel belang bij hadden om een leugen te verbreiden als om een aan hen onderworpen volk van het geloof af te houden, dat het lichaam van Christus door zijn volgelingen gestolen was.” En verder zegt hij met verfijnde minachting: [De spectata 30]: “Dit is hij die heimelijk door zijn discipelen gestolen was zodat er gezegd kon worden dat hij was verrezen, of door de tuinman was weggehaald zodat zijn slakropjes niet vertrapt zouden worden door de menigte bezoekers!”

We zien deze opmerking herhaald in de Joodse middeleeuwse literatuur [Joods boek in Eisenmenger, i. p. 189 e.v.]. Reimarus vertelt hetzelfde verhaal: “Jezus’ discipelen,” zegt hij, “verdonkeremaanden het lichaam van Jezus terwijl het nog geen vierentwintig uur in het graf lag, voerden bij de begraafplaats de scène van het lege graf op, en stelden de aankondiging van de opstanding uit tot de vijftiende dag, toen het lichaam volkomen tot ontbinding was overgegaan.”

De beweringen en argumenten van deze zeer oude theorie werden volkomen weerlegd door Origenus [Contra Celsum]. (Thorburn, RMNC, 191-192)


3D. Johannes Chrysostomus van Antiochië (347-407) zegt over de diefstaltheorie:

“Want zelfs dit vormt een bevestiging voor de opstanding, ik bedoel het feit dat zij zeggen dat de discipelen Hem gestolen hebben. Want dit is het taalgebruik van mensen die erkennen dat het lichaam weg was. Wanneer zij dus erkennen dat het lichaam er niet was, maar aangetoond is dat spreken over diefstal bedrieglijk en ongeloofwaardig is, gezien hun eigen bewaking van het graf, en gezien de verzegeling, en gezien de vrees van de discipelen, lijkt hiermee het bewijs voor de opstanding volkomen onweerlegbaar.” (Chrysostomus, zoals geciteerd in Clark, GM, 531)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate