2C. De weerlegging

1D. Waren Christus’ verschijningen wel zo belangrijk?

C. S. Lewis schrijft:

In de eerste dagen van het christendom was een “apostel” allereerst een man die beweerde ooggetuige te zijn geweest van de opstanding. Slechts een paar dagen na de kruisiging werden de twee kandidaten voor de vacature die was ontstaan door het verraad van Judas voorgedragen op basis van het feit dat ze Jezus zowel voor als na zijn sterven persoonlijk gekend hadden en een getuigenis uit de eerste hand konden geven van de opstanding in hun contacten met de buitenwereld (Handelingen 1:22). Een paar dagen later beweert Petrus, tijdens de eerste christelijke preek, hetzelfde: “Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen” (Handelingen 2:32). In de eerste Brief aan de Korintiërs baseert Paulus zijn aanspraak op het apostelschap op datzelfde feit: “Ik zou geen apostel zijn? Maar heb ik dan niet Jezus, onze Heer, gezien?” (Lewis, M, 148)


2D. Zou het verschil maken wanneer Christus’ verschijningen na zijn opstanding hallucinaties waren geweest?

Uitgaande van Lewis’ definitie zou de waarde van het apostolische ambt absoluut nul zijn wanneer al Christus’ verschijningen slechts hallucinaties waren.

Als dat inderdaad zo was, zou dat, met de woorden van Gresham Machen, betekenen “dat de christelijke kerk gebaseerd is op een pathologische ervaring van zekere personen uit de eerste eeuw van onze jaartelling. Het betekent dat als Petrus en de anderen een goede neuroloog hadden kunnen raadplegen, er nooit een christelijke kerk geweest zou zijn.” (Kevan, RC, 10-11)

J. N. D. Anderson zegt, sprekend over “de geloofwaardigheid van het apostolisch getuigenis”, dat het “staat of valt met de geldigheid van hun getuigenis” (Anderson, DCR, 100)


3D. Wat is een hallucinatie?

Wilbur Smith zegt:

De meest bevredigende definitie van een hallucinatie die ik ben tegengekomen is die van Weiss: “De wetenschappelijke betekenis van deze term is het plaatsvinden van een schijnbare gewaarwording zonder de aanwezigheid van een corresponderend extern object. De oogzenuw wordt niet gestimuleerd door lichtgolven of trillingen van de ether, maar wordt geprikkeld door een uitsluitend interne fysiologische oorzaak. Op hetzelfde moment wordt deze zintuiglijke indruk door degene die hallucineert als volkomen ‘objectief’ aanvaard; hij gelooft absoluut dat het object van zijn hallunicatie zich werkelijk voor zijn ogen bevindt. “ (Smith, TS, 581)


4D. Waren Christus’ verschijningen na zijn opstanding hallucinaties?

De ervaringen van de apostelen waren meer dan hallucinaties, het nieuwtestamentische getuigenis gaat lijnrecht tegen een dergelijke hypothese in.

Hillyer Straton zei het zo: “Mensen die gevoelig zijn voor hallucinaties worden nooit zedelijke helden. De opstanding van Jezus had een doorgaande uitwerking in totaal veranderde levens, en het merendeel van deze vroege getuigen stierf als gevolg van de verkondiging van deze waardheid.” (Straton, BLR, 4)


5D. De hallucinatietheorie is niet geloofwaardig

De hallucinatietheorie is niet geloofwaardig omdat ze bepaalde wetten en principes weerspreekt waaraan hallucinaties volgens psychiaters moeten voldoen.

1E. Over het algemeen hebben alleen bepaalde soorten mensen hallucinaties. (Anderson, RJC, 4-9); (Little, KWhyB, 67-69); (Peru, OPC, 97-99)

Het zijn personen die te karakteriseren zijn als gespannen, bijzonder fantasierijk en uiterst nerveus.

De verschijningen van Christus waren niet beperkt tot personen met een bepaalde psychologische aanleg.

John R. W. Stott zegt:

“Er waren verschillende gemoedstoestanden….

“Maria Magdalena huilde….

“de vrouwen waren bang en verbaasd;…

“Petrus was vol wroeging,…

“…en Tomas vol ongeloof.

“De Emmaüsgangers waren verbijsterd door de gebeurtenissen van de week…

“…en de discipelen in Galilea waren afgeleid door het vissen.”

“Het is onmogelijk om deze goddelijke openbaringen af te schijven als hallucinaties van verwarde geesten.” (Stott, BC, 57)


2E. Hallucinaties zijn in het onderbewuste van de hallucinerende persoon verbonden met zijn specifieke ervaringen in het verleden. (Anderson, RJC, 4-9); (Little, KWhyB, 67-69); (Peru, OPC, 97-99)

1F. Ze zijn bijzonder individualistisch en uiterst subjectief.

Heinrich Kluerer citeert in Psychopathy of Perception een bekende neurobioloog: “[Raoul] Mourgue kwam in zijn grondige verhandeling over de neurobiologie van hallucinaties tot de conclusie dat de meest stabiele kenmerken van hallucinatoire en aanverwante fenomenen veranderlijkheid en onbestendigheid zijn. Voor hem is de hallucinatie geen statisch fenomeen maar in essentie een dynamisch proces, waarvan de instabiliteit een weerspiegeling is van de instabiliteit van de factoren en omstandigheden die geassocieerd worden met de oorsprong ervan.” (Kluerer, zoals geciteerd in Hoch, PP, 18)

Het is dus uiterst onwaarschijnlijk dat twee mensen op hetzelfde moment dezelfde hallucinatie zouden hebben.

2F. De verschijningen van Christus werden door veel mensen waargenomen.

Thomas J. Thorburn verzekert ons:

Het is absoluut ondenkbaar dat zo’n vijfhonderd mensen, met een gemiddelde geestelijke gezondheid en een gemiddeld temperament, op allerlei momenten, in diverse situaties, in groepen van verschillende grootte, allerlei soorten zintuiglijke indrukken zouden krijgen – visueel, auditief, tactiel – en dat al deze veelvuldige ervaringen volkomen zouden berusten op subjectieve hallucinatie. We zeggen dat dat ongelooflijk is, omdat zo’n theorie, als ze werd toegepast op iedere andere niet “bovennatuurlijke” gebeurtenis in de geschiedenis, onmiddellijk afgedaan zou worden als een belachelijk ontoereikende verklaring. (Thorburn, RNMC, 158-159)

Theodore Christlieb zegt:

We ontkennen niet dat de wetenschap ons kan vertellen van gevallen waarin hallucinaties werden gezien door hele menigten tegelijk; maar wanneer dit het geval was, ging het altijd samen met zowel een ziekelijke agitatie van de psyche als een ziekelijke lichamelijke toestand, vooral in de vorm van zenuwaandoeningen. Wel, mochten één of meerdere van de discipelen in deze morbide toestand verkeerd hebben, dan rechtvaardigt dat geenszins de conclusie dat dit voor allen gold. Dit waren mannen met heel verschillende temperamenten en constituties. En toch wordt de een na de ander verondersteld in deze morbide toestand geraakt te zijn: niet alleen de opgewonden vrouwen, maar zelfs Petrus, die sterke, geharde visser die zeker niet nerveus was, Jakobus, de Emmaüsgangers, en zo voort, tot de nuchtere, ongelovige Tomas toe, jawel, en de hele groep tegelijk, en zelfs meer dan vijfhonderd broeders samen. Al deze mensen worden verondersteld plotseling tot de een of andere zelfmisleiding vervallen te zijn, en dat, niet te vergeten, op de meest onderscheiden tijden en plaatsen, en tijdens de meest gevarieerde bezigheden (’s ochtends bij het graf; in gesprek langs de weg; in de intieme vriendenkring aan het werk bij het meer); waarbij hun gemoedsgesteldheid zeker heel verschillend geweest is en hun innerlijke neiging tot hallucinaties uiterst divers. En hadden zij allen kunnen instemmen om deze hallucinaties aan de wereld te prediken als lichamelijke verschijningen van de herrezen Christus? En was dit het geval geweest, had het dan enkel zelfbedrog en opzettelijke misleiding geweest kunnen zijn? Iemand van hen moet zich later toch serieus hebben afgevraagd of dat wat hij gezien had, wel echt was. Schleiermacher zegt zeer terecht: “Wie veronderstelt dat de discipelen zichzelf bedrogen en het innerlijke voor het uiterlijke namen, beschuldigt hen van een mentale zwakheid die hun hele getuigenis over Christus waardeloos maakt en de schijn wekt dat Christus zelf, toen Hij dergelijke getuigen uitkoos, niet wist wat er in de mens was. En wanneer Hij zelf gewild en voorbeschikt had dat ze innerlijke verschijningen zouden verwarren met uiterlijke waarnemingen, zou Hij de ontwerper van een leugen geweest zijn, en het zou alle zedelijke noties beschamen wanneer dit in overeenstemming was met zijn hoogwaardigheid.” (Christlieb, zoals geciteerd in Smith, TS, 396-397)


3E. Volgens twee bekende psychiaters, L. E. Hinsie en J. Shatsky, is een illusie “een onjuiste waarneming, een foutieve reactie op een zintuiglijke stimulering…. Maar bij een normale persoon leidt deze foutieve overtuiging over het algemeen tot de behoefte om de juistheid ervan na te gaan en dikwijls schieten één of meerdere andere zintuigen te hulp om hem ervan te overtuigen dat dit slechts een illusie is.” (Hinsie, PD, 280)

De verschijningen van Christus kunnen geen “onjuiste waarnemingen” zijn geweest. Zo schildert Wilbur Smith, als hij de waarnemingen van Lucas beschrijft, Lucas als een “man die gewend was om elk onderwerp van zijn studie wetenschappelijk te overwegen. Lucas zegt aan het begin van zijn tweede boek, de Handelingen van de apostelen, dat de Heer zich na zijn lijden levend vertoonde ‘met vele duidelijke bewijzen’ of letterlijker, ‘in vele bewijzen’.” (Smith, TS, 400)

Smith vervolgt:

Juist het soort bewijs dat door de moderne wetenschap, en zelfs door psychologen, zo vasthoudend vereist wordt voor het bepalen van de realiteit van enig object van beschouwing, is het soort bewijs dat ons in de evangeliën wordt voorgelegd ten aanzien van de opstanding van de Heer Jezus, namelijk, zaken die gezien worden met het menselijk oog, aangeraakt met de menselijke hand, en gehoord met het menselijke oor. Dit is wat wij empirisch bewijs noemen. (Smith, TS, 389-390)

W. J. Sparrow-Simpson schrijft dat “de verschijningen van de verrezen Meester geanalyseerd kunnen worden op basis van de menselijke zintuigen waarop ze een beroep deden, of dat nu het zicht, het gehoor, of de aanraking was. De verschillende fenomenen zijn goed volgens deze indeling te groeperen.” (Sparrow-Simpson, RCF, 83)

Sparrow-Simpson vervolgt: “Eerst wat betreft het zien. Dit komt natuurlijk voorop, als het eerste middel om de aandacht te trekken. Het wordt in de evangeliën met diverse uitdrukkingen weergegeven: “Jezus ontmoette hen” (Matteüs 28:9).

“Ze zagen Hem” (Matteüs 28:17).

“Ze herkenden Hem” (Lucas 24:31).

“Ze meenden een geestverschijning te zien” (Lucas 24:37).

“’Kijk naar mijn handen en voeten, Ik ben het zelf! Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb.’ Daarna toonde Hij hun zijn handen en zijn voeten” (Lucas 24:39, 40).

Idem in het vierde evangelie:

“Ik heb de Heer gezien” (Johannes 20:18).

“Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde” (Johannes 20:20).

“Ze zagen de Heer” (Johannes 20:20).

“Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie” (Johannes 20:25).

“Omdat je Me gezien hebt” (Johannes 20:29).

“Geen van de leerlingen durfde Hem te vragen wie Hij was, ze begrepen dat het de Heer was” (Johannes 21:12).

“Gedurende veertig dagen is Hij in hun midden verschenen” (Handelingen 1:3).

De verrezen Heer wijst in deze verschijningen op de littekens van de wonden die Hem tijdens zijn lijden werden toegebracht: Lucas spreekt over zijn handen en voeten [Lucas 24:29-40]. … Matteüs vermeldt ze geen van beide. Johannes noemt “zijn handen en zijn zijde” (Johannes 20:20-25, 27). (Sparrow-Simpson, RCF, 183-184)

“Bij de vermelding van de verschijningen van de opgestane Christus wordt ook een beroep op de tastzin gedaan…. De meest indrukwekkende verwoording in dit opzicht is die van Lucas: “Kijk naar mijn handen en voeten, Ik ben het zelf! Raak Me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb” (Lucas 24:39).

“Ze gaven Hem een stuk geroosterde vis. Hij nam het aan en at het voor hun ogen op” (Lucas 24:42-43). (Sparrow-Simpson, RCF, 92-93)

Thomas Thorburn schrijft: “Het ‘hallucinatoire’ visioen bij het graf in Marcus wordt vergezeld van een auditieve ervaring: de engel zegt tegen de vrouwen dat ze het feit aan de discipelen moeten gaan vertellen (Marcus 16:5-7).”

Thorburn vervolgt: “Ook in Matteüs (die grotendeels putte uit dezelfde bron als Marcus) zien en horen de vrouwen Jezus, en raken Hem ook aan (Matteüs 28:9-10).” (Thorburn, RNMC, 133)


4E. Hallucinaties zijn over het algemeen beperkt in termen van tijdstip en locatie. (Anderson, RJC, 4-9); (Little, KWhyB, 67-69); (Peru, OPC, 97-99)

Hallucinaties zijn over het algemeen te verwachten

  • op een plek met een nostalgische sfeer, of
  • op een moment dat speciale herinneringen bij iemand oproept.

De momenten waarop Christus’ verschijningen plaatsvonden en de plaatsen waar dat gebeurde vormden voor de getuigen geen aanleiding tot hallucineren. Ze fantaseerden geen gebeurtenissen doordat ze in een bekende omgeving waren.

John R. W. Stott merkt op dat “de gunstige uiterlijke omstandigheden ontbraken.” (Stott, BC, 57)

Stott vervolgt: “Als de verschijningen hadden plaatsgevonden op een paar bijzonder heilige plaatsen, gewijd door herinneringen aan Jezus” en als “hun gemoedstoestand er één van verwachting was geweest” dan “zou ons wantrouwen gewekt moeten zijn.” (Stott, BC, 57)

Stott concludeert:

Hadden we alleen het verhaal van de verschijningen in de bovenzaal gehad, dan hadden we reden tot twijfel. Waren de elf op die speciale plek vergaderd geweest waar Jezus enkele van zijn laatste uren met hen had doorgebracht, en hadden ze zijn plek leeg gehouden en sentimenteel gedaan over de wonderlijke dagen in het verleden en zich zijn belofte herinnerd dat Hij zou terugkeren, en waren ze begonnen zich af te vragen of Hij inderdaad terug zou komen en daarop te hopen, tot de vurigheid van hun verwachting vervolmaakt werd in zijn plotselinge verschijning, dan zouden we inderdaad kunnen vrezen dat ze het slachtoffer van een wrede misleiding waren. (Stott, BC, 57)

W. Robertson Nicoll zegt: “Laten we niet vergeten dat de discipelen niet alleen dachten dat ze Christus zagen, maar dat ze met Hem spraken, dat de gesprekken in diverse omstandigheden plaatsvonden en dat er vele getuigen waren.” (Nicoll, zoals geciteerd in Kevan, RC, 10)

James Orr beschouwt de tijdsfactor, en merkt op dat de verschijningen “geen vluchtige glimp van Christus waren maar ‘langdurige gesprekken’.” (Orr, zoals geciteerd in Ramm, PCE, 186)

Overweeg de grote variatie aan tijden en plaatsen:

Matteüs 28:9, 10: De verschijning in de vroege ochtend aan de vrouwen bij het graf.

Lucas 24:13-33: De verschijning op de weg naar Emmaüs in de namiddag.

Lucas 24:34; 1Korintiërs 15:7: Een aantal privégesprekken op klaarlichte dag.

Johannes 21:1-23: Aan het meer, vroeg in de ochtend.

1Korintiërs 15:6: Op een berg in Galilea aan meer dan vijfhonderd gelovigen.

Er is inderdaad een haast weloverwogen variatie in de tijden en de plaatsen waar Christus verscheen – een variatie die de hypothese dat dit puur hallucinaties waren, trotseert.


5E. Hallucinaties vragen een geest van hoopvolle verwachting die de wens tot de vader van de gedachte maakt. (Anderson, RJC, 4-9); (Little, KWhyB, 67-69); (Peru, OPC, 97-99)

1F. De volgende principes zijn kenmerkend voor hallucinaties:

William Milligan stelt dat het subject van de hallucinatie gekenmerkt moet worden door “geloof in het idee dat het tot uitdrukking brengt, en een opgewonden verwachting dat het idee op de een of andere manier werkelijkheid zal worden.” (Milligan, RL, 93-95)

1G. Om een dergelijke ervaring te hebben, moet iemand zo intens willen geloven dat hij iets projecteert wat er in werkelijkheid niet is en realiteit toedicht aan zijn fantasie.” (Little, KWhyB, 68)

2G. E. H. Day merkt op dat “het zien van hallucinaties, het subjectief waarnemen van uitzonderlijke fenomenen door grote aantallen personen op hetzelfde moment, een aanzienlijke periode van ‘psychologische voorbereiding’ vereist.” (Day, ER, 51-53)

3G. Paul Little schrijft: “Zo herinnert een moeder die haar zoon in de oorlog verloren heeft zich hoe hij elke dag om half zes uit zijn werk kwam. Ze zit elke middag peinzend en nadenkend in haar schommelstoel. Tenslotte denkt ze dat ze hem ziet binnenkomen, en voert een gesprek met hem. Op dit punt heeft ze het contact met de werkelijkheid verloren.” (Little, KWhyB, 68)

2F. In het geval van Christus’ verschijningen na zijn opstanding werden zijn volgelingen tegen hun wil aangezet om te geloven.

W. J. Sparrow-Simpson schrijft: “Deze verschijnselen suggereren dus dat de verschijningen eerder aan de aandacht van de geest werden opgedrongen dan van binnenuit gevormd.” (Sparrow-Simpson, RCF, 88)

Alfred Edersheim zegt dat “dergelijke hallucinaties een voorafgaande verwachting van de gebeurtenis veronderstellen, die, zoals wij weten, lijnrecht tegen de feitelijkheid ingaat.” (Edersheim, LTJM, 626)

E. H. Day schrijft tegen de hallucinatietheorie: “We zien hoe lang de discipelen er over doen om tot de overtuiging te komen waartoe alleen de onverbiddelijke logica van de feiten hen gebracht heeft.” (Day, ER, 53-54)

Over het ontbreken van “psychologische voorbereiding” merkt Day op:

Bij de eerste verschijning van de Heer verkeerden de discipelen in verschillende mentale omstandigheden, maar de toestand van verwachting, hoop, of voorbereid-zijn om Hem te ontmoeten is opvallend afwezig in deze lijst.…

Hun geloof was aan het wankelen gebracht door de catastrofe van de schandelijke dood, een dood die zo levendig het Joodse wetswoord in herinnering riep: “Op een gehangene rust Gods vloek” (Deuteronomium 21:23). De theorie van de subjectieve hallucinaties zou plausibel zijn wanneer de discipelen niet bereid geweest waren om het ergste te geloven. Maar de hoop van de discipelen was zo vervlogen dat hun herstel zich maar langzaam voltrok. (Edersheim, LTJM, 53-54)

Paul Little legt uit dat de algehele gemoedstoestand van Christus’ volgelingen anders was dan te verwachten van slachtoffers van een hallucinatoire ervaring: “Maria kwam op de eerste Paaszondag naar het graf met specerijen in haar handen. Waarom? Om het dode lichaam van haar geliefde Heer te zalven. Ze verwachtte Hem duidelijk niet uit de dood verrezen aan te treffen. Uiteindelijk zag ze Hem zelfs aan voor de tuinman! Toen de Heer aan de discipelen verscheen, waren ze bang en dachten ze dat ze een geest zagen!” (Little, KWhyB, 68-69)

Alfred Edersheim merkt op: “Een verhaal zoals dat wat is weergegeven door Lucas lijkt welhaast bedoeld te zijn om de ‘hallucinatiehypothese’ onmogelijk te maken. We krijgen expliciet te horen dat de verschijning van de verrezen Christus, in plaats van te beantwoorden aan hun verwachtingen, hen bang gemaakt had, en dat ze dachten met een geestverschijning te doen te hebben, waarop Christus hen gekalmeerd had, en hun verzocht Hem aan te raken, want ‘een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat Ik heb.’” (Edersheim, LTJM, 628)

C. S. Lewis zegt:

Elke hallucinatietheorie loopt stuk op het feit (en als dit een bedenksel is, is het het vreemdste bedenksel dat ooit bij de mens is opgekomen) dat deze hallucinatie bij drie verschillende gelegenheden niet onmiddellijk herkend werd als Jezus (Lucas 24:13-31; Johannes 20:15; 21:4). Zelfs als we veronderstellen dat God een heilige hallucinatie stuurde om waarheden te leren die zo ook al breed geloof vonden, en veel gemakkelijker te onderwijzen waren met andere methoden, en hierdoor gegarandeerd volkomen onbegrijpelijk zouden worden, dan mogen we toch op zijn minst hopen dat Hij die hallucinatie zou laten lukken? Is Hij die alle gezichten maakte zo’n knoeier dat Hij zelfs geen herkenbare afbeelding kon maken van de Man die Hijzelf was? (Lewis, M, 153)

T. J. Thorburn schrijft over Jezus’ verschijning aan zijn discipelen: “Was het puur een subjectieve fantasie geweest, die een aaneenschakeling van evenzeer denkbeeldige voorstellingen bij de anderen in gang gezet had, dan had de overlevering ons daar zeker een uitvoeriger verslag over doen toekomen.” (Thorburn, RNMC, 29-31)


6E. Hallucinaties komen vaak met opvallende regelmaat over een langere periode voor. (Anderson, RJC, 4-9); (Little, KWhyB, 67-69); (Peru, OPC, 97-99)

Ze komen ofwel steeds vaker voor tot er een crisismoment bereikt wordt, of ze komen steeds minder vaak voor tot ze langzaam verdwijnen.

Let op de volgende opmerkingen over Christus’ verschijningen:

C. S. Lewis schrijft: “Alle verslagen suggereren dat er een einde kwam aan de verschijningen van het opgestane lichaam; sommige schilderen een abrupt einde, zes weken na het overlijden…. Een fantoom kan gewoon wegsterven, maar een objectieve realiteit moet ergens blijven – er moet iets mee gebeuren.” (Lewis, M, 153-154)

Hij concludeert: “Als het een visioen was, dan was het het meest stelselmatig bedrieglijke en leugenachtige visioen dat ooit te boek gesteld is. Maar als het echt was, dan is er iets mee gebeurd nadat het was opgehouden te verschijnen. Je kunt de hemelvaart niet wegstrepen zonder er iets anders voor in de plaats te zetten.” (Lewis, M, 154)

Hastings Dictionary of the Apostolic Church vermeldt dat “de theorie onverenigbaar is met het feit dat de verschijningen zo plotseling ophielden. Na de veertig dagen wordt er geen enkele verschijning van de verrezen Heer meer vermeld, afgezien van die aan Paulus, waarvan de omstandigheden en het onderwerp in alle opzichten bijzonder waren. Fantasie werkt niet zo. Zoals Keim zegt worden ‘de geesten die door mensen worden opgeroepen niet zo gemakkelijk bezworen.’” (Hastings, DAC, 360)

Kevan stelt de vraag: “Maar als de verschijningen van de verrezen Verlosser hallucinaties waren, waarom zijn er dan geen anderen die dit felbegeerde visioen nog steeds waarnemen? Volgens de wet van de ontwikkeling, zegt dr. Mullins, ‘zouden de hallucinaties chronisch geworden zijn nadat vijfhonderd man onder hun invloed gekomen waren. Maar nu maakt de hallucinatie plaats voor een welomlijnd en overwinnend evangelisatieprogramma.’” (Kevan, RC, 11)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate