Winfried Corduan geeft een samenvatting van de hallucinatietheorie:
Het probleem met deze theorie is dat, in het geval van de opstandingsverschijningen, alles wat we over hallucinaties weten met voeten getreden wordt. De verschijningen vonden niet plaats volgens het patroon dat altijd aanwezig is bij hallucinaties, want hallucinaties zijn individueel en komen voort uit een toestand van extreme emotionele onevenwichtigheid waarbij de hallucinatie fungeert als een soort van wensvervulling. Wat er na de opstanding gebeurde, is heel iets anders. Het kostte de discipelen weinig moeite om te aanvaarden dat Christus weg was; ze besloten om weer te gaan vissen. De verschijningen kwamen als een verrassing terwijl de discipelen met andere dingen bezig waren. En het allerbelangrijkst, de verschijningen waren aan groepen mensen, waarbij elk lid hetzelfde zag. Dat is eenvoudigweg niet hoe hallucinaties in hun werk gaan. Vandaar dat de opstandingsverschijningen geen hallucinaties kunnen zijn geweest. (Corduan, NDA, 221)
John R. W. Stott schrijft: “De discipelen waren niet lichtgelovig, maar eerder voorzichtig, sceptisch, en ‘traag van hart in het geloven’. Ze waren niet gevoelig voor hallucinaties. En vreemde visioenen zouden hen ook niet bevredigd hebben. Hun geloof was gegrond op de harde feiten van een verifieerbare ervaring.” (Stott, BC, 57)
Mensen zijn, volgens T. J. Thorburn “nooit door hallucinaties aangezet tot het ondernemen van een taak van enorme omvang, en tijdens de uitvoering daarvan, het leiden van een leven van de meest onbuigzame en consequente zelfverloochening, en zelfs lijden. Met één woord… we zijn gedwongen ons aan te sluiten bij dr. Sanday, die zegt: ‘Geen enkele geestverschijning, geen enkele pure hallucinatie van de zintuigen, heeft ooit de wereld in beroering gebracht.’” (Thorburn, RMNC, 136)



