De voorafgaande geseling van een slachtoffer van een kruisiging wordt omschreven door John Mattingly: “De veroordeelde misdadiger werd eerst met kracht ontdaan van zijn kleding, en vervolgens aan een paal in het gerechtsgebouw gebonden. Vervolgens werd de afschuwelijke en wrede geseling uitgevoerd door lictoren of geselaars. Hoewel de Hebreeën het aantal slagen bij een geseling wettelijk beperkten tot veertig, kenden de Romeinen een dergelijke beperking niet – het slachtoffer was overgeleverd aan de genade van zijn geselaars.”
Het wrede werktuig waarmee het slachtoffer gegeseld werd, heette een flagrum. Over dit instrument zegt Mattingly: “We zien onmiddellijk dat de lange, striemende stukken bot en metaal het menselijke vlees diep konden openrijten.” (Mattingly, COAC, 21)
Bisschop Eusebius van Caesarea, de kerkhistoricus van de derde eeuw, zei in zijn Brief van de Kerk in Smyrna over de Romeinse geseling die de ter dood veroordeelden moesten ondergaan: “De aderen van het slachtoffer werden blootgelegd, en zelfs de spieren, pezen en ingewanden waren zichtbaar.” (Mattingly, COAC, 73)
John Mattingly citeert John Peter Lange als hij over het lijden van Christus zegt: “Men heeft verondersteld dat [zijn] geseling zelfs nog ernstiger was dan normaal. Hoewel de normale geseling werd uitgevoerd door de lictoren, concludeert Lange dat Pilatus gebruik maakte van de soldaten, aangezien hij geen lictoren tot zijn beschikking had. De inborst van deze lage, gemene soldaten doet veronderstellen dat hun wreedheid die van de lictoren nog overtrof.” (Mattingly, COAC, 33)
Nadat Hij de meest intense vorm van lichamelijke straf had ondergaan, moest Christus ook de tocht naar de plek van de kruisiging ondergaan – Golgota. Over deze fase van Christus’ lijden vertelt Mattingly:
- Zelfs de voorbereiding voor de wandeling moet een bron van lijden geweest zijn. In Matteüs 27:31 staat: “Nadat ze Hem zo hadden bespot, trokken ze Hem de mantel uit, deden Hem zijn kleren weer aan en leidden Hem weg om Hem te kruisigen.” De ruwe manier waarop ze Hem zijn “koninklijke” gewaad uittrokken en zijn eigen kleren weer aandeden, die ongetwijfeld in contact kwamen met de gekneusde, gehavende huid van de geseling, veroorzaakte vreselijke pijn. (Mattingly, COAC, 35)
- De woorden “Ze brachten hem naar Golgota” (Marcus 15:22a) geven waarschijnlijk ook aan dat Christus, niet in staat om op eigen kracht te lopen, letterlijk naar het executieterrein gebracht of gesleurd werd. Daarmee was het afschuwelijke en misselijkmakende lijden van voor het kruis afgesloten, en begon de feitelijke kruisiging. (Mattingly, COAC, 36)
Over de kruisiging zelf zegt Mattingly: “Het valt niet genoeg te benadrukken dat het kruislijden uiterst intens en ernstig was. Romes bekendste redenaar, Marcus Tullius Cicero, die zich bewust was van de afschuwelijkheid van deze marteling, zei: ‘Het woord alleen al, kruis, dient verre te blijven van de lippen van de burgers van Rome, maar ook van hun gedachten, hun ogen, hun oren’ [Marcus Tullius Cicero, Pro Rabirio, 5.16].” (Mattingly, COAC, 26)
Michael Green zegt over Jezus’ lichamelijke lijden: “Na een slapeloze nacht, waarin Hij niets te eten kreeg, twee schertsprocessen doormaakte, en zijn rug liet openrijten met de wrede Romeinse kat met negen staarten, werd Hij naar zijn terechtstelling door middel van kruisiging geleid. Dit was een ondraaglijk pijnlijke dood, waarbij iedere zenuw in het lichaam het uitschreeuwde van ellende.” (Green, MA, 32)
Frederick Garrar geeft een levendige beschrijving van de dood door kruisiging:
Want een dood door kruisiging lijkt inderdaad alles te bevatten wat pijn en dood met zich mee kunnen brengen aan verschrikking en ontzetting – duizeligheid, kramp, dorst, uithongering, slapeloosheid, wondkoorts, tetanus, schaamte, openbare schande, langdurige foltering, een verschrikkelijk vooruitzicht, afsterving van onverzorgde wonden – en al die zaken stuk voor stuk verhevigd tot op het punt dat ze nauwelijks nog te dragen zijn, maar net niet zover dat ze de lijder de opluchting van de bewusteloosheid zouden bieden.
De onnatuurlijke positie maakte iedere beweging pijnlijk; de opengereten aderen en platgedrukte pezen klopten van niet aflatende pijn; de wonden, ontstoken door blootstelling aan de open lucht, werden langzaam aangevreten door koudvuur; de slagaderen – vooral die van het hoofd en de maag – raakten opgezwollen en kwamen onder druk te staan door het zich ophopende bloed; en terwijl alle mogelijke vormen van ellende langzamerhand steeds zwaarder werden, kwam daarbij ook nog eens de ondraaglijke kwelling van een brandende en razende dorst; en al deze lichamelijke complicaties veroorzaakten een innerlijke opwinding en angst, waarmee het vooruitzicht van de dood zelf – van de dood, de onbekende vijand, voor wiens nadering de mens gewoonlijk het meeste siddert – een heerlijke en verrukkelijke bevrijding scheen. (Farrar, LC, 440)
EXTRA:
“Ze brachten Hem naar Golgota, wat in onze taal ‘schedelplaats’ betekent. Ze wilden Hem met mirre vermengde wijn geven, maar Hij nam die niet aan. Ze kruisigden Hem en verdeelden zijn kleren onder elkaar; ze dobbelden erom wie wat zou krijgen. Het was in het derde uur na zonsopgang toen ze Hem kruisigden. Het opschrift met de aanklacht tegen Hem luidde: ‘De koning van de Joden’. Samen met Hem kruisigden ze twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links.
De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met Hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red jezelf toch door van het kruis af te komen.’ Ook de hogepriesters en de schriftgeleerden maakten onder elkaar zulke spottende opmerkingen: ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet; laat die Messias, die koning van Israël, nu van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven!’ Ook de twee andere gekruisigden beschimpten hem.
Op het middaguur viel er een duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. Aan het einde daarvan, in het negende uur, riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’ wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, Hij roept Elia!’ Iemand ging snel een spons halen, doordrenkte die met zure wijn, stak de spons op een stok en probeerde Hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we eens kijken of Elia komt om Hem eraf te halen.’ Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit. En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën. Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: ‘Werkelijk, deze mens was Gods Zoon.’” (Marcus 15:22-29, 29-39)
E. H. Day vertelt: “Het is Marcus die de nadruk legt op Pilatus’ verwondering bij het horen dat Christus al dood was, en op zijn persoonlijke ondervraging van de centurio voordat hij toestemming geeft om het lichaam van het kruis te halen. De Romeinse soldaten waren niet onbekend met de tekenen van de dood of met de aanblik van een dode na kruisiging.” (Day, ER, 46-48)
Zoals Michael Green uitlegt, waren kruisigingen “niet ongebruikelijk in Palestina”. (Green, MA, 32)
Pilatus eiste Christus’ verklaring van overlijden. Hierover merkt Green op: “Vier beulen onderzochten Hem voordat Josef van Arimatea, een vriend, toestemming kreeg om het lichaam te verwijderen en het te begraven.” (Green, MA, 32)
Green zegt over deze vier specialisten die gewend waren om met de dood om te gaan: “Ze wisten heel goed wanneer iemand dood was – en hun bevelvoerend officier had de doodskreet van de veroordeelde zelf gehoord en een overlijdensverklaring afgegeven aan de gouverneur, Pontius Pilatus.” [Toen de centurio, die recht tegenover Hem stond, Hem zo zijn laatste adem zag uitblazen, zei hij: “Werkelijk, deze mens was Gods Zoon!” (Marcus 15:39) “Het bevreemdde Pilatus dat Hij al dood zou zijn en hij riep de centurio bij zich, aan wie hij vroeg of Jezus al gestorven was (Marcus 15:44.] (Green, MA, 32-33)
John R. W. Stott schrijft: “Pilatus was inderdaad verrast dat Jezus al gestorven was, maar de verzekering van de centurio had hem voldoende overtuigd om Josef toestemming te geven om het lichaam van het kruis te halen.” (Stott, BC, 49)
Day merkt op dat “het verhaal over de bewaking van het graf in het Matteüsevangelie een duidelijk bewijs is dat de Joden zelf geloofden dat Jezus dood was.” (Day, ER, 46-48)
Day wijst er verder op dat niemand “van degenen die betrokken waren bij het afnemen van het lichaam van het kruis en het neerleggen ervan in het graf, ook maar enigszins veronderstelde dat er nog leven was.“ (Day, ER, 46-48)
Professor Day zegt dat de schrijver van het boek The Physical Cause of the Death of Christ, James Thompson, “aantoont dat de dood van Christus niet te wijten was aan lichamelijke uitputting, of aan de pijn van de kruisiging, maar aan een geestelijke kwelling, die letterlijk leidde tot een gebroken hart.” (Day, ER, 48-49)
De schrijver van een artikel in Journal of the American Medical Association kwam op basis van de evangelieverhalen tot de conclusie dat Jezus ongetwijfeld gestorven was voordat Hij van het kruis gehaald werd: “Het is duidelijk dat het grootste deel van het historische en medische bewijsmateriaal aantoont dat Jezus dood was voordat de wond in zijn zij werd toegebracht, en een ondersteuning vormt voor het traditionele standpunt dat de lans die rechts tussen zijn ribben gestoken werd, waarschijnlijk niet alleen zijn longen doorboorde maar ook het pericardium en het hart, wat de garantie opleverde dat Hij al gestorven was. Daarmee zijn interpretaties gebaseerd op de vooronderstelling dat Jezus aan het kruis niet gestorven is, niet verenigbaar met de moderne medische kennis.” (Edwards, PDJC, 1463)
Samuël Houghton, de grote fysioloog van de universiteit van Dublin, geeft zijn kijk op Christus’ lichamelijke doodsoorzaak:
Toen de soldaat met zijn lans Christus’ zij doorboorde, was Hij al dood. Dat er vervolgens bloed en water uit Hem stroomde was of een natuurlijk verschijnsel, met een natuurlijke, verklaarbare oorzaak, of een wonder. Dat Johannes het zo niet als een wonder, dan toch wel als iets buitengewoons beschouwde, blijkt duidelijk uit de opmerking die hij erover maakt, en uit de plechtige manier waarop hij de nadruk legt op de juistheid van zijn woorden.
Herhaalde observaties en experimenten met mensen en dieren hebben mij tot de volgende conclusies gebracht – Wanneer de linkerzijde na het sterven onbelemmerd doorstoken wordt met een groot mes, in afmetingen vergelijkbaar met een Romeinse lans, doet zich een van deze drie onderscheiden toestanden voor:
1. Er vloeit geen bloed uit de wond, op een paar druppeltjes na.
2. Er vloeit alleen een grote hoeveelheid bloed uit de wond.
3. Er vloeit een hoeveelheid water, gevolgd door enkele bloeddruppels, uit de wond.
Van deze drie gevallen komt de eerste het vaakst voor. De tweede vinden we in gevallen van dood door verdrinking en door strychnine, wat aan te tonen is door een dier met dit gif om te brengen. Dit is ook bewijsbaar de normale gang van zaken bij een kruisiging. De derde wordt gevonden in gevallen van dood door borstvliesontsteking, hartvliesontsteking, en hartruptuur. Met de voorgaande toestanden zijn de meeste anatomen die zich bezighouden met dit onderwerp, bekend, maar de twee volgende toestanden worden, hoewel gemakkelijk verklaarbaar op fysiologische gronden, niet in de boeken vermeld (behalve door Johannes). Ik ben ook nooit in de gelukkige omstandigheid geweest er op te stuiten.
4. Er vloeit een overvloedige stroom water, gevolgd door een overvloedige stroom bloed uit de wond.
5. Er vloeit een overvloedige stroom bloed, gevolgd door een overvloedige stroom water uit de wond.
De dood door kruisiging veroorzaakt de ophoping van bloed in de longen, vergelijkbaar met gevallen van verdrinking of strychninevergiftiging. Het vierde geval zou zich voordoen bij een gekruisigde die voorafgaand aan de kruisiging last gehad heeft van pleura-effusie. Het vijfde geval zou voorkomen bij een gekruisigde die aan het kruis gestorven was aan een hartruptuur. De gebeurtenissen tijdens de dagen die vooraf gingen aan de kruisiging van onze Heer sluiten de vooronderstelling van een borstvliesontsteking uit, waarvan ook geen sprake kan zijn als er eerst bloed en later water uit de wond kwam. Er is dus geen enkele veronderstelling mogelijk ter verklaring van het weergegeven fenomeen behalve de combinatie van kruisiging en hartruptuur.
Dat een hartruptuur de oorzaak van Christus’ dood was, wordt ook vakkundig verdedigd door dr. William Stroud; en dat zich werkelijk een hartruptuur heeft voorgedaan is mijn vaste overtuiging. (Houghton, zoals geciteerd in Cook, CHB, 349-350)
De apostel Johannes doet een minutieus verslag van zijn observaties op Golgota. Houghton concludeert: “Het belang hiervan spreekt voor zich. Het [toont] dat het verhaal in Johannes 19 nooit verzonnen kan zijn; dat de vermelde feiten gezien moeten zijn door een ooggetuige; en dat de ooggetuige zo verbaasd was dat hij klaarblijkelijk dacht dat het verschijnsel een wonder was.” (Houghton, zoals geciteerd in Cook, CHB, 349-350)
Michael Green schrijft over Christus’ sterven:
We krijgen op het gezag van een ooggetuige te horen dat er “bloed en water” uit de doorboorde zijde van Jezus kwam (Johannes 19:34, 35). De ooggetuige hechtte hier duidelijk een groot belang aan. Als Jezus nog geleefd had toen de lans zijn zijde doorboord had, zouden er met elke hartenklop bloed naar buiten gespoten zijn. In plaats daarvan zag de toeschouwer een halfharde donkerrode klont naar buiten sijpelen, los en onderscheiden van het meevloeiende waterige serum. Dit duidt op een sterke klontering van het bloed in de hoofdslagaderen, en is een uitermate sterk medisch bewijs dat de dood is ingetreden. Het is nog eens extra indrukwekkend omdat de evangelist zich onmogelijk bewust kan zijn geweest van het belang hiervan voor de patholoog. Het “bloed en water” van de stoot met de lans is een bewijs voor het feit dat Jezus al dood was. (Green, MA, 33)
Samuel Chandler zegt: “Alle evangelisten zijn het er over eens dat Josef Pilatus om het lichaam van Jezus vroeg. Pilatus had van de centurio die het kruis bewaakte gehoord dat Hij … al een tijd dood was, en gaf het hem.” (Chandler, RJC, 62-63)
Chandler verzekert ons vervolgens: “De opmerkelijke omstandigheid van de inwikkeling en balseming van het lijk door Josef en Nikodemus, volgens het Joodse begrafenisritueel, is het absolute bewijs dat Jezus dood was, en dat men wist dat Hij dood was. Was er nog een restje leven in Hem geweest toen Hij van het kruis gehaald werd, dan zou dat volkomen gesmoord zijn door het prikkelende karakter van de mirre en de aloë, hun sterke geur, hun bitterheid, het feit dat ze met een linnen zwachtel om zijn lichaam gewikkeld werden en met een zweetdoek om zijn hoofd en zijn gezicht, zoals de Joden gewend waren bij een begrafenis.” (Chandler, RJC, 62-63)
Zoals professor Albert Roper stelt: “Jezus werd gekruisigd door Romeinse soldaten, gekruisigd volgens de wetten van Rome, die door de soldaten uiterst nauwgezet ten uitvoer werden gebracht.” (Roper, JRD, 33)
Concluderend kunnen we instemmen met de woorden waarmee Johannes zijn getuigenis over zijn waarneming van Christus’ sterven legaliseerde: “Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt” (Johannes 19:35).



