3C. De begrafenis

Als hij het verslag over Jezus’ begrafenis in het graf van Josef van Arimatea bespreekt, schrijft Wilbur Smith:

We weten meer over de begrafenis van de Heer Jezus dan over de begrafenis van welke persoon uit de geschiedenis ook. We weten oneindig veel meer over zijn begrafenis dan over de begrafenis van welke oudtestamentische persoon ook, over welke Babylonische koning, Egyptische farao, Griekse filosoof, of zegevierende keizer ook. We weten wie zijn lichaam van het kruis haalde; we weten iets over hoe het lichaam met balsem in grafdoeken werd gewikkeld; we weten van het graf waarin zijn lichaam werd gelegd, de naam van de eigenaar ervan, Josef van Arimatea. We weten zelfs waar dit graf gelegen was, in een tuin dicht bij de plaats waar Hij gekruisigd werd, buiten de stadsmuren. We hebben vier verslagen van deze begrafenis van onze Heer, die een verbazingwekkende overeenstemming vertonen, het verslag van Matteüs, een volgeling van Christus die erbij was toen Jezus gekruisigd werd; het verslag van Marcus, dat volgens sommigen binnen tien jaar na de hemelvaart van onze Heer geschreven werd; het verslag van Lucas, een reisgenoot van de apostel Paulus en een groot historicus; en het verslag van Johannes, die de laatste was die bij het kruis wegging, en, met Petrus, de eerste van de twaalf was die met Pasen het lege graf aanschouwde. (Smith, TS, 370-371)

De historicus Alfred Edersheim geeft de volgende details over de begrafenisgewoonten van de Joden:

Niet alleen de rijken, maar zelfs de minder welgestelden hadden eigen graven, die waarschijnlijk lang voordat men ze nodig had werden aangeschaft en gereedgemaakt, en die werden behandeld en overgeërfd als persoonlijk privébezit. In dergelijke grotten, of uit de rots gehouwen graven, werden de lichamen na gezalfd te zijn met allerlei specerijen, met mirte, aloë’s, en, in een latere periode, ook met hysop, rozenolie, en rozenwater, neergelegd. Het lichaam werd aangekleed, en in een latere periode, omwikkeld, zo mogelijk met de versleten doeken waarin oorspronkelijk een Wetsrol bewaard was geweest. De “graven” waren ofwel uit de rots gehouwen, of natuurlijke grotten, met nissen in de zijwanden. (Edersheim, LTJM, 318-319)

Over Christus’ begrafenis schrijft Edersheim:

De nadering van de heilige sabbat, en de daaruit volgende haast, kan de aanzet of de doorslag gegeven hebben tot Josefs voorstel om het lichaam van Jezus in zijn eigen uit de rots gehouwen nieuwe graf te leggen, waarin nog niemand gelegd was….

Het kruis werd neergehaald en op de grond gelegd; de wrede nagels uitgetrokken, en de touwen losgemaakt. Josef “wikkelde”, samen met zijn helpers, het heilige lichaam “in zuiver linnen” en droeg het snel naar het uit de rotsen gehouwen graf in de nabijgelegen tuin. Een dergelijk rotsgraf of grot (meartha) had nissen (kukhin) waarin de doden gelegd werden. Men zal zich herinneren dat bij de ingang van “het graf” – en in “de rots” – “een binnenplaats” was, van tweeënhalve meter in het vierkant, waarin gewoonlijk de baar werd neergelegd en de dragers gezamenlijk de doden aflegden. (Edersheim, LTJM, 617)

Edersheim vermeldt vervolgens: “Nu arriveerde dat andere lid van het Sanhedrin, Nikodemus. Hij had een zwachtel met mirre en aloë’s bij zich, in de bij de Joden welbekende geurige samenstelling die gebruikt werd bij een balseming of begrafenis.

“Het was in ‘de binnenplaats’ van het graf dat de haastige balseming – als ze zo genoemd mag worden – plaatsvond.” (Edersheim, LTJM, 617)

Het was in Christus’ tijd gebruikelijk om grote hoeveelheden kruiden te gebruiken voor de balseming van de doden, vooral voor hen die hoog in achting stonden.

Michael Green vertelt het volgende over de begrafenisvoorbereiding die Jezus’ overblijfselen ontvingen: “Het lichaam werd op een stenen plateau gelegd, stevig ingebonden met stroken stof, en bedekt met balsem. Het Johannesevangelie vertelt ons dat er zo’n zeventig pond gebruikt werd, en dat is niet onwaarschijnlijk. Josef was een rijk man, en wilde ongetwijfeld zijn lafheid tijdens Jezus’ leven compenseren door Hem een grootse begrafenis te geven. Deze hoeveelheid, hoewel aanzienlijk, heeft talloze parallellen. Rabbi Gamaliël, een tijdgenoot van Jezus, werd na zijn sterven begraven met tachtig pond balsem.” (Green, MA, 33)

Flavius Josefus, de Joodse historicus van de eerste eeuw, vermeldt de begrafenis van Aristobulus, die “vermoord werd, nog geen achttien jaar oud, en slechts één jaar het hogepriesterambt vervuld had.” (Josefus, AJ, 15.3.3)

Bij zijn begrafenis “spande Herodes zich in om dit tot een indrukwekkend gebeuren te maken, door uitgebreide voorbereidselen te treffen voor het graf waarin zijn [Aristobulus] lichaam gelegd werd, en in een grote hoeveelheid specerijen te voorzien, en vele voorwerpen bij hem te begraven.” (Josefus, AJ, 17.8.3)

James Hastings zegt over de grafdoeken die in Christus’ lege graf gevonden werden: “Zelfs al in de tijd van Chrysostomus [de vierde eeuw n. Chr.] werd de aandacht gevestigd op het feit dat de mirre een stof was die zo aan het lichaam plakte dat de grafdoeken moeilijk te verwijderen zouden zijn geweest” (Joan. Hom. 85). (Hastings, DCG, 507)

Merril Tenney geeft de volgende verklaring in verband met de grafdoeken:

Wanneer een lichaam volgens het Joodse gebruik werd voorbereid op de begrafenis, werd het gewoonlijk gewassen en recht gelegd, en vervolgens van de oksels tot de enkels strak ingewikkeld in linnen doeken van ongeveer dertig centimeter breed. Geurige kruiden, dikwijls van een kleverige substantie, werden tussen de doeken gelegd. Ze dienden gedeeltelijk als conserveermiddel en gedeeltelijk als specie om de doeken aan elkaar te lijmen tot een stevig omhulsel. … Johannes’ term “bonden” (TELOS, Gr. edesan) komt perfect overeen met het taalgebruik van Lucas 23:53, waar de schrijver zegt dat het lichaam in linnen gewikkeld werd…. Op de ochtend van de eerste dag van de week was het lichaam van Jezus verdwenen, maar de grafdoeken lagen er nog. (Tenney, RR, 117)

George B. Eager zegt over Christus’ begrafenis in The International Standard Bible Encyclopedia:

Het gebeurde in volkomen overeenstemming met de gewoonten en de voorschriften van de Mozaïsche Wet (Deuteronomium 21:23: [“…dan zal zijn lijk gedurende de nacht niet aan de paal blijven, maar gij zult hem dezelfde dag nog begraven, want een gehangene is door God vervloekt en gij zult het land dat de HERE, uw God, u als erfdeel geven zal niet verontreinigen.” (NBG)] (vgl Galaten 3:13) [“Maar Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van deze vloek door voor ons te worden vervloekt, want er staat geschreven: ‘VERVLOEKT IS IEDER MENS DIE AAN EEN PAAL HANGT.’”], en bovendien in harmonie met de impulsen van waarachtige menselijkheid, dat Josef van Arimatea op de dag van de kruisiging naar Pilatus ging en hem verzocht om het lichaam van Jezus om het te begraven (Matteüs 27:58 vv.). (Eager, zoals geciteerd in Orr, ISBE, 529)

Eager merkt ook nog op:

Zendelingen en geboren Syriërs vertellen ons dat het nog steeds de gewoonte is om het lichaam te wassen (vgl. Johannes 12:7; 19:40; Marcus 16:1; Lukas 24:1), handen en voeten in grafwikkels te binden, meestal van linnen (Johannes 19:40), en het gezicht te bedekken of te omwinden met een vierkante doek (Johannes 11:44b). Het is nog steeds gebruikelijk om in de omhulsels van het lichaam geurige kruiden en andere preparaten te leggen om de ontbinding te vertragen … Ons wordt… verteld dat Nikodemus na de begrafenis van Jezus “een mengsel van mirre en aloë, wel honderd litra” bij zich had, en dat ze “Jezus’ lichaam met de balsem in linnen [wikkelden], zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis”, en dat Maria van Magdala en twee andere vrouwen specerijen bij zich hadden voor datzelfde doel (Marcus 16:1; Lucas 23:56). (Eager, zoals geciteerd in Orr, ISBE, 529)

William Lane Craig zegt over het zorgvuldige onderhoud van graven van Joodse heilige mannen:

In Jezus’ tijd had men buitengewone belangstelling voor de graven van Joodse martelaren en heiligen, en deze werden zorgvuldig verzorgd en geëerd. Dit suggereert dat ook aan het graf van Jezus aandacht zal zijn geschonken. De discipelen hadden geen flauw vermoeden van een opstanding voorafgaand aan de algemene opstanding aan het einde van de wereld, en ze zouden dus ook niet hebben toegestaan dat de plek waar de Leraar begraven was, onopgemerkt zou blijven. Deze belangstelling maakt ook aannemelijk dat de vrouwen achterbleven om de begrafenis te zien, en van plan waren om Jezus’ lichaam met specerijen en olie te zalven (Lucas 23:55, 56). Craig, DJRD, zoals geciteerd in Wilkins, JUF, 148-149)

Over het verband tussen de begrafenis en het lege graf merkt Craig op:

Als het verhaal over de begrafenis in grote lijnen betrouwbaar is, dan ligt het voor de hand dat Jezus’ graf inderdaad leeg werd aangetroffen. Want wanneer het begrafenisverhaal in hoofdlijnen juist is, was de ligging van Jezus’ graf aan Jood en christen bekend. In dat geval had het geloof in de opstanding, in confrontatie met een graf waar het lichaam van Jezus nog in lag, onmogelijk hebben kunnen standhouden. De discipelen zouden niet in Jezus’ opstanding geloofd hebben, en zelfs al deden ze dat wel, dan zou er nog niemand hun prediking van Jezus’ opstanding geloofd hebben, en hun Joodse tegenstanders hadden de hele zaak aan het licht kunnen brengen, mogelijk zelfs door het tentoonstellen van het lichaam, zoals dat gebeurde volgens de middeleeuwse Joodse polemiek (Toledot Yeshu) … Niemand kan de historiciteit van het verhaal van de begrafenis bevestigen en tegelijkertijd op een aannemelijke manier de historiciteit van het lege graf ontkennen. (Craig, DJRD, zoals geciteerd in Wilkins, JUF, 146-147)



© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate