4C. De steen

Over de afdekking van de opening van Jezus’ graf zegt A. B. Bruce: “De Joden noemden de steen golel”. (Bruce, EGNT, 334)

H. W. Holloman citeert G. M. Mackie, die zegt: “De opening naar de hoofdruimte werd bewaakt door een grote en zware rotsschijf die door een in het midden iets uitgediepte groef voor de ingang van het graf kon rollen.” (Holloman, EPR, 38)

T. J. Thorburn vermeldt dat deze steen gebruikt werd als “bescherming tegen zowel mens als dier.” Verder merkt hij op: “Deze steen wordt dikwijls genoemd door de Talmoedisten.” Over het enorme gewicht van een dergelijke steen merkt dr. Thorburn op: “Gewoonlijk waren er verschillende mannen nodig om hem te verwijderen.” Aangezien de steen die voor de ingang van Jezus’ graf gerold werd, bedoeld was om een verwachte diefstal te voorkomen, was hij waarschijnlijk nog groter dan normaal! (Thorburn, RNMC, 97-98)

Bovendien zegt hij: “Een glos in de Codex Bezae [een tussen haakjes geplaatst gedeelte van een zin in de tekst van Marcus 16:4, gevonden in een (vierde-eeuws) Bijbelhandschrift (in de bibliotheek van Cambridge)] voegt toe: ‘En toen Hij daar gelegd was, zette hij (Josef) tegen het graf een steen die nog geen twintig mannen konden wegrollen.’” Het belang van Thorburns opmerking komt naar voren wanneer we letten op de regels voor het transcriberen van manuscripten. Het was de gewoonte dat een kopiist, wanneer hij de aandacht wilde vestigen op een eigen uitleg, zijn gedachte in de kantlijn schreef, en niet in de tekst invoegde. Hieruit valt te concluderen dat de invoeging in de tekst werd overgeschreven van een tekst die nog dichter bij de tijd van Christus stond, misschien een eerste-eeuws handschrift. Deze woorden zouden dan afkomstig zijn van een ooggetuige die onder de indruk was van de geweldige afmetingen van de steen die voor Jezus’ graf gerold werd. Ook Gilbert West van Oxford wijst op het belang van dit gedeelte in de Codex Bezae, op pagina 37 en 38 van zijn werk, Observations of the History and Evidences of the Resurrection of Jesus Christ. (Thorburn, RNMC, 1-2)

Samuel Chandler zegt: “Alle getuigen stemmen hier overeen dat de vrouwen bij hun aankomst ontdekten dat de steen weggerold of weggehaald was. De vrouwen hadden het niet kunnen doen, omdat de steen voor hen te groot was om weg te rollen.” (Chandler, RJC, 33)

Alfred Edersheim, de Hebreeuwse christen die een buitengewoon goede bron is op het gebied van de historische achtergrond van het Nieuwe Testament, vertelt over de begrafenis:

“En dus legden ze Hem in de nis van het uit de rotsen gehouwen nieuwe graf. En toen ze weggingen, rolden ze, zoals de gewoonte was, een ‘grote steen’ – de golel – voor de ingang om het graf af te sluiten, waar tegenaan ze waarschijnlijk ter ondersteuning, zoals de gewoonte was, een kleinere steen – de zogenaamde dopheg – zetten. Op de plek waar de ene steen tegen de ander werd gelegd, zouden de Joodse leiders de volgende dag, hoewel het sabbat was, het zegel hechten, zodat de kleinste verstoring in het oog zou vallen.” (Edersheim, LTJM, 618)

Frank Morison zegt in een opmerking over het bezoek van Maria en haar vriendinnen aan Jezus’ graf op die vroege zondagochtend:

De vraag hoe ze de steen zouden kunnen verwijderen moet ongetwijfeld een bron van grote zorg voor de vrouwen geweest zijn. Minstens twee van hen waren getuige geweest van de begrafenis en wisten in grote lijnen hoe de zaken ervoor stonden. De steen, die zoals bekend groot en behoorlijk zwaar was, vormde hun grote probleem. Wanneer we dan ook in het oudste verhaal, het evangelie van Marcus, de woorden lezen: “Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?” kunnen we nauwelijks aan het gevoel ontkomen dat deze zorg van de vrouwen over de kwestie van de steen niet alleen een psychologische noodzakelijkheid van het probleem is, maar zeker ook een historisch element in de situatie tot op het moment van hun aankomst bij het graf. (Morison, WMS, 76)

Morison noemt de steen bij Jezus’ graf

die ene zwijgende en onfeilbare getuige in de hele episode – en er zijn bepaalde feiten betreffende deze steen die een zorgvuldige bestudering vereisen.

Laten we allereerst kijken naar de afmetingen en het waarschijnlijke karakter ervan…. Ongetwijfeld… was de steen groot en dus bijzonder zwaar. Dit feit wordt ondersteund of geïmpliceerd door alle schrijvers die ernaar verwijzen. Marcus zegt dat hij “heel groot” was. Matteüs heeft het over “een grote steen”. Petrus zegt: “want de steen was groot”. Een aanvullend getuigenis op dit punt wordt geleverd door de bezorgdheid van de vrouwen over hoe ze hem zouden kunnen verplaatsen. Als de steen niet behoorlijk zwaar geweest was, hadden de vereende krachten van drie vrouwen hem kunnen verplaatsen. We krijgen dus een duidelijke indruk dat hij op zijn minst te zwaar was voor de vrouwen om hem zonder hulp te verwijderen. Dit alles is van groot belang voor de zaak. (Morison, WMS, 147)



© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate