In Matteüs 27:66 staat: “Ze gingen erheen en beveiligden het graf door het te verzegelen en er bewakers voor te zetten.”
A. T. Robertson zegt over de wijze van verzegeling van de steen voor Jezus’ graf
…waarschijnlijk een touw dat over de steen gespannen werd en aan beide zijden verzegeld zoals in Daniël 6:17 [“Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn machthebbers, om te verhinderen dat iemand iets aan Daniëls omstandigheden zou veranderen.”] De verzegeling werd verricht in tegenwoordigheid van de Romeinse bewakers die werden achtergelaten om dit zegel van Romeins gezag en macht te beschermen. Die deden hun best om een diefstal en een opstanding (Bruce) te voorkomen, maar ze schoten hun doel voorbij en leverden zodoende nog meer getuigenbewijs voor het lege graf en de opstanding van Jezus. (Plummer). Robertson, WPNT, 239)
A. B. Bruce merkt op: “De bijzin [door het te verzegelen] is een tussenzin die wijst op een extra voorzorgsmaatregel, de verzegeling van de steen, met een touw dat aan beide zijden met een zegel aan het graf bevestigd werd. De goede mannen spanden zich in tot het voorkomen van diefstal, en – de opstanding!” (Bruce, EGNT, 335)
Henry Sumner Maine, “lid van het hooggerechtshof van India; voormalig lector jurisprudentie en burgerlijk recht aan de Middle Temple en Regius Professor burgerlijk recht aan de universiteit van Cambridge”, spreekt over het wettelijke gezag dat aan het Romeinse zegel verbonden was. Hij wijst erop dat het feitelijk “beschouwd werd als een bewijs van waarmerking.” (Maine, zoals geciteerd in Lewis, M, 203)
Over de jurisprudentie merkt Maine vervolgens op: “Op te merken valt dat de zegels van Romeinse testamenten en andere belangrijke documenten niet alleen dienden als aanduiding van de aanwezigheid of de toestemming van de ondertekenaar, maar ook letterlijk een sluiting vormden die moest worden verbroken voordat het geschrevene was in te zien.” (Maine, AL, 203-204)
Zo kunnen we de verzegeling van Christus’ graf ook beschouwen: het Romeinse zegel dat er op bevestigd werd, was bedoeld om pogingen tot schending van het graf te voorkomen. Iedereen die probeerde de steen weg te rollen van de ingang van het graf zou het zegel verbroken hebben en zich daarmee de toorn van het Romeinse recht op zich geladen hebben.
Henry Alford zegt: “De verzegeling bestond uit een koord of een veter die voor de steen aan de opening van het graf langs liep en aan weerszijden met zegelleem aan de rots bevestigd was.” (Alford, GTCRT, 301)
Marvin Vincent merkt op: “Het idee is dat ze de steen verzegelden in de aanwezigheid van de bewakers, en hen vervolgens achterlieten om de wacht te houden. Het was belangrijk dat de bewakers getuigen waren van de verzegeling. De verzegeling werd uitgevoerd door over de steen een koord te spannen, dat aan beide uiteinden aan de rots bevestigd werd met zegelleem. In het geval dat de steen voor de opening werd gehouden door een dwarsbalk, werd deze aan de rots verzegeld.” (Vincent, WSNT, 147)
D. D. Whedon zegt: “Het graf kon dus niet geopend worden zonder het zegel te verbreken, wat een inbreuk op het gezag van de eigenaar van het zegel was. De wacht was er ter voorkoming van bedrog door de discipelen; het zegel was er om een samenzwering met de wacht te voorkomen. Vandaar ook Daniël 6:17: “Er werd een steen gebracht waarmee de opening van de kuil werd afgedekt, en de koning verzegelde die met zijn zegelring en met de zegelring van zijn machthebbers.” (Whedon, CGM, 343)
De vierde-eeuwse Johannes Chrysostomus, aartsbisschop van Constantinopel, merkt het volgende op over de beveiligingsmaatregelen die bij Jezus’ graf genomen werden:
Zie hoe deze woorden getuigenis afleggen van elk van deze feiten. “Het schoot ons te binnen”, luiden de woorden, “dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, (Hij was nu dus dood) gezegd heeft: ‘Na drie dagen zal Ik uit de dood opstaan.’ Geeft u alstublieft bevel om het graf (Hij was dus begraven) tot de derde dag te bewaken, anders komen zijn leerlingen Hem heimelijk weghalen.” Dus wanneer het graf verzegeld is, is er geen ruimte voor oneerlijke praktijken. Zodoende is het bewijs van zijn opstanding onweerlegbaar geworden door wat u hebt aangevoerd. Want omdat het verzegeld was, was er geen sprake van oneerlijke praktijken. Maar als er geen oneerlijke praktijken waren, en het graf werd leeg aangetroffen, dan is het voor iedereen zichtbaar dat Hij is opgestaan, duidelijk en onweerlegbaar. Ziet u hoe zij, zelfs tegen hun wil, bijdragen aan het bewijs voor de waarheid? (Chrysostomus, HGSM, zoals geciteerd in Schaff, SLNPNF, 525)
“De volgende dag, dus na de voorbereidingsdag, gingen de hogepriesters en de Farizeeën samen naar Pilatus. Ze zeiden tegen hem: ‘Heer, het schoot ons te binnen dat die bedrieger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: “Na drie dagen zal Ik uit de dood opstaan.” Geeft u alstublieft bevel om het graf tot de derde dag te bewaken, anders komen zijn leerlingen Hem heimelijk weghalen en zullen ze tegen het volk zeggen: “Hij is opgestaan uit de dood” en die laatste leugen zal nog erger zijn dan de eerste.’ Pilatus antwoordde: ‘U kunt bewaking krijgen. Ga nu en regel het zo goed als u kunt.’ Ze gingen erheen en beveiligden het graf door het te verzegelen en er bewakers voor te zetten.” (Matteüs 27:62-66)



