George Currie zegt: “De straf voor het verlaten van je post was de dood, volgens de wet (Dion. Hal., Ant. Rom. VIII.79). Het bekendste verslag over de strengheid van de kampdiscipline is dat van Polybius VI, 37, 38, dat erop wijst dat de angst voor straf leidde tot een vlekkeloze plichtsvervulling, vooral tijdens nachtwachten. Dit legt gewicht in de schaal vanwege het aanzien van de schrijver, die beschreef wat hij met eigen ogen had kunnen waarnemen. Zijn beweringen worden in grote lijnen overgenomen door anderen.” (Currie, MDR, 41-43)
Currie citeert Polybius: “Tussen een rij met knuppels zwaaiende soldaten door lopen… wordt genoemd als straf op nalatigheid tijdens de nachtwacht, diefstal, vals getuigenis, en zelfverwonding; decimering op het uit lafheid ontvluchten van de gelederen wordt ook genoemd.” (Currie, MDR, 43-44)
Currie vervolgt: “Vegetius heeft het over de dagelijkse aandacht die de prefect van het legioen besteedde aan een strakke discipline (Military Institutes 11.9). En Vegetius zegt met stelligheid (Military Institutes 1.21) dat de Romeinen [in Christus’ tijd] strenger straften dan die in zijn dagen.”
Als Currie het heeft over Vegetius’ opmerkingen over het Romeinse leger, zegt hij: “Het door hem omschreven systeem voorzag in de strengste straffen. Het classicum was het trompetsignaal dat geblazen werd om een executie aan te kondigen (11.22). Dagelijkse aandacht voor een strakke discipline was de taak van de prefect van het legioen (11.9).” (Currie, MDR, 49-50)
Currie wijst ook op het volgende:
Door de diverse schrijvers van [Justinianus’] Digesta 49.16 worden achttien overtredingen van militairen vermeld waarop de doodstraf stond. Het zijn de volgende: als verkenner zich aansluiten bij de vijand (3.4), desertie (3.11; 5.1-3), het verliezen of zich ontdoen van zijn wapens (3.13), ongehoorzaamheid in oorlogstijd (3.15), over de muur of de borstwering klimmen (3.17), een opstand beginnen (3.19), weigeren een officier te beschermen of de post verlaten (3.22), zich als dienstplichtige verbergen (4.2), moord (4.5), een hogergeplaatste aanraken of een generaal beledigen (6.1), als eerste op de vlucht slaan terwijl dat voorbeeld anderen zou beïnvloeden (6.3), plannen aan de vijand overbrieven (6.4; 7), een medesoldaat met het zwaard verwonden (6.6), zelfverminking of zelfmoordpoging zonder goede reden (6.7), weggaan tijdens de nachtwacht (10.1), de staf van de centurio breken of hem slaan wanneer men gestraft werd (13.4), ontsnappen uit het wachthuis (13.5), en ordeverstoring (16.1) (Currie, MDR, 49-50)
Currie documenteert de volgende voorbeelden uit de annalen van de Romeinse militaire geschiedenis die tonen welke disciplinaire maatregelen er genomen werden in het Romeinse leger: “In 418, vaandeldrager die achterblijft in de strijd, persoonlijk doodgeslagen door de generaal; in 390, slapen tijdens diensttijd, van de rots van het Capitool gegooid [Dig. 49.16.3.6.; -10.1], in 252, nalatigheid, geslagen en achteruitstelling in rang; in 218, nalatigheid, bestraft; in 195, dralen, geslagen met wapen;… De hierboven vermelde typen bestraffing rechtvaardigen het woord ‘streng’ als omschrijving.” (Currie, MDR, 33)
Currie merkt verder op: “Aangezien de doodstraf werd opgelegd in 40 van de 120 gevallen waar de straf vermeld wordt, is duidelijk dat straffen in het Romeinse leger zwaarder waren dan in moderne legers.” Currie noemt het Romeinse leger een “instrument tot overwinning en overheersing” en schrijft over de strenge discipline: “Valerius Maximus … noemt de strenge naleving van de kampdiscipline en de krijgsleer (11.8 inl.; 11.9 inl.) [als de voornaamste redenen voor] de grote veroveringen en de macht van Rome.” (Currie, MDR, 33, 38, 43-44)
De volgende kleurrijke beschrijving van de wapenrusting van een Romeinse soldaat is van T. G. Tucker:
In zijn rechterhand draagt hij de bekende Romeinse speer. Dit is een stevig wapen van meer dan 1 meter 80 lang, bestaande uit een scherpe ijzeren punt, bevestigd aan een houten schacht, waarmee de soldaat zowel kan aanvallen, zoals met een bajonet, als kan gooien, zoals met een werpspies, om dan verder van man tot man met zijn zwaard te vechten. Aan de linkerarm bevindt zich een groot schild. Het kan diverse vormen hebben. Een veel voorkomende vorm is aan weerszijden omgebogen tot een gedeeltelijke cilinder van zo’n 1,2 meter hoog en 75 cm breed. Een andere is zeskantig – een diamantpatroon, waarbij de punten van de diamant zijn afgevlakt. Soms is het schild ovaal. Het bestaat uit vlechtwerk of hout, bedekt met leer, voorzien van een blazoen van ijzerwerk. Heel bekend is de bliksemflits. Het schild wordt niet alleen door middel van een handvat gedragen, maar soms ook ondersteund door een riem om de rechterschouder. Om niet in de weg te zitten voor het schild, hangt het zwaard – eerder een steek- dan een slagwapen – rechts aan een riem die over de linkerschouder gaat. Hoewel dit op ons overkomt als een onhandig geheel, moeten we niet vergeten dat het zwaard pas nodig is wanneer de rechterhand de speer kwijt is, en dat het wapen dan, voor het getrokken wordt, makkelijk naar de linkerkant gezwaaid kan worden door middel van de riem waaraan het hangt. Links draagt de soldaat een dolk in zijn gordel. (Tucker, LRW, 342-344)



