Alfred Edersheim geeft ons de volgende omschrijving van de strakke discipline waaronder de tempelwacht werkzaam was: “’s Nachts deed de “commandant van de tempel” zijn rondes. Bij zijn nadering moesten de bewakers opstaan en hem op een bepaalde manier groeten. Als een bewaker slapend werd aangetroffen tijdens zijn dienst werd hij geslagen of werd zijn kleding in brand gestoken – een straf die, naar wij weten, werkelijk werd toegepast. Vandaar deze aansporing aan ons, die als het ware hier op tempelwacht staan: ‘Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart’ [Openbaring 16:15, TELOS].” (Edersheim, TMS, 147-149)
De Misjna beschrijft wat er gebeurde met een man die tijdens zijn wacht slapend werd aangetroffen:
De officier van de Tempelberg deed tijdens elke wacht de ronde met een brandende toorts, en wanneer een bewaker niet opstond en tegen hem zei: “O officier van de tempelberg, vrede zij u!” en het duidelijk was dat hij sliep, sloeg hij hem met zijn staf en had hij het recht om zijn kleed te verbranden. Dan werd er gezegd: “Wat is dat voor geluid vanaf het tempelplein?” “Het geluid van de een of andere Leviet die geslagen wordt en wiens kleding verbrand wordt omdat hij in slaap is gevallen tijdens zijn wacht.” R. Eliezer b. Jacob zei: “Eens werd mijn moeders broeder slapend aangetroffen en werd zijn kleed verbrand” (Misjna, Middoth, 1.2.)
The Jewish Encyclopedia zegt over “de gewijde plaats [in de tempel]”: Hun die daar op wacht stonden “was het niet toegestaan te zitten, laat staan te slapen. De commandant van de wacht zag erop toe dat elke man alert was, kastijdde priesters die slapend op hun post werden aangetroffen, en strafte hen soms zelfs door hun hemd aan hun lijf in brand te steken, als waarschuwing voor anderen (Mid. K.I).” (The Jewish Encyclopedia, 81)



