Matteüs toont ons in zijn evangelie de lafheid van de discipelen (26:56). Jezus was gevangen genomen in de hof van Getsemané en “daarop lieten alle leerlingen Hem in de steek en vluchtten weg.” Marcus schrijft in zijn evangelie (14:50): “Toen lieten allen Hem in de steek en vluchtten weg.”
George Hanson merkt op: “Ze waren van nature niet erg dapper of grootmoedig. Op de meest laffe manier lieten ze hun meester na zijn gevangenneming in de steek en vluchtten, waarbij ze Hem aan zijn lot overlieten.” (Hanson, RL, 24-26)
Albert Roper spreekt van Simon Petrus’ “terugdeinzen onder de spot van een dienstmeisje in de binnenplaats van de hogepriester en zijn van een vervloeking vergezeld gaande verloochening van ‘die man over wie u het hebt’.” (Roper, JRD, 50)
Hij zegt dat “angst, jammerlijke angst voor zijn eigen veiligheid Petrus ertoe bracht de Man te verwerpen die hij werkelijk liefhad. Angst, laffe angst, maakte hem afvallig van Degene die hem bij zijn netten had weggeroepen om visser van mensen te worden.” (Roper, JRD, 52)
Over het karakter van de discipelen zegt Roper:
Het zijn Galileeërs, merendeels vissers, allemaal min of meer vreemd aan de stad en het stadsleven. De een na de ander waren ze aanhangers geworden van de jonge Leraar uit Nazaret, en hadden ze zijn manier van leven overgenomen. Ze waren Hem met vreugde en eerbied gevolgd, tot het uur van de waarheid aanbrak. Toen Hij aan de rand van de hof van Getsemané werd gevangengenomen, trokken ze zich allemaal terug en gingen er vandoor, bang voor de toortsen en het geschreeuw en het wapengekletter.
[De discipelen] verstoppen zich in hun huizen en er wordt niets van hen vernomen tot Maria Magdalena op de ochtend van de derde dag bij hen komt met een verbazingwekkend bericht, waarna er twee – en niet meer dan twee – de euvele moed hebben om de straat op te gaan om uit te vinden of dat wat Maria hun verteld heeft werkelijk zo is of dat het, zoals ze zelf geloven, “maar kletspraat” is. De hele houding van de discipelen is er een van laffe angst en zelfbehoud. (Roper, JRD, 34-35)
De Joodse rabbi Pinchas Lapide zegt over de totale verandering van de discipelen:
Dit verschrikte, angstige groepje apostelen dat juist op het punt stond om het helemaal op te geven en in wanhoop naar Galilea te vluchten; wanneer deze boeren, herders en vissers, die hun meester verraden en verloochend hadden en Hem vervolgens op een miserabele manier in de steek gelaten hadden, plotseling konden veranderen in een zelfbewust zendingsgenootschap dat overtuigd was van de verlossing en dat na Pasen veel effectiever was dan voor Pasen, dan kan geen visioen of hallucinatie een dergelijke revolutionaire transformatie verklaren. Voor een sekte of een school of een orde zou een enkel visioen misschien voldoende zijn geweest – maar niet voor een wereldgodsdienst die het westen zou veroveren dankzij het geloof van Pasen. (Lapide, RJ, 125)
Douglas Groothuis zegt over de reactie van de discipelen op de verrezen Christus: “De opgestane Jezus ontlokte het geloof aan zijn twijfelende discipel Tomas toen Hij verscheen en zei: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof’ (Johannes 20:27). Daarop riep Tomas uit: ‘Mijn Heer, mijn God!’ (28). Jezus was gebleken God in het vlees te zijn, gekruisigd als de Christus dat moest worden, maar nu uit de dood opgestaan als Heer.” (Groothuis, JAC, 256)
Alfred Edersheim vraagt: “Welke gedachten over de dode Christus vervulden Josef van Arimatea, Nikodemus, en de andere discipelen van Jezus, evenals de apostelen en de vrome vrouwen?” (Edersheim, LTJM)
Op deze vraag antwoordt hij: “Ze geloofden dat Hij dood was, en ze verwachtten niet dat Hij weer zou opstaan uit de dood – tenminste, niet in onze algemeen aanvaarde zin van het woord. Het overvloedige bewijs hiervoor leveren, vanaf het moment van zijn sterven, de begrafenisspecerijen die Nikodemus meebracht, en die de vrouwen klaarmaakten (beide bedoeld om ontbinding tegen te gaan), het verdriet van de vrouwen bij het lege graf, hun veronderstelling dat het lichaam weggehaald was, de verbijstering en de houding van de apostelen, de twijfels van zovelen, en inderdaad in de expliciete bewering: ‘Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan’.” (Edersheim, LTJM, 623)
J. P. Moreland zegt over het getuigenis van de vrouwen:
In het eerste-eeuwse judaïsme was het getuigenis van een vrouw nagenoeg waardeloos. Een vrouw mocht, zeldzame gelegenheden uitgezonderd, niet getuigen voor een rechtbank. Niemand die dit verhaal verzonnen had zou gekozen hebben voor vrouwen als de eerste getuigen van het lege graf. De aanwezigheid van vrouwen was een belemmering; dit verklaart waarschijnlijk waarom de vrouwen niet vermeld worden in 1Korintiërs 15 en de toespraken in Handelingen, aangezien dit evangelisatietoespraken waren. Er was geen enkele reden om in een evangelisatieboodschap melding te maken van een bijkomstigheid die aanstootgevend was voor de toehoorders. Het feit wordt in de evangeliën opgenomen omdat de evangeliën een omschrijving willen geven van wat er daadwerkelijk gebeurde. Een andere behoorlijke verklaring voor de vermelding van dit feit is er niet. (Moreland, SSC, 168)
J. P. Moreland over de waarschijnlijkheid dat de discipelen het christendom bedacht hebben:
Ten eerste hadden de discipelen niets te winnen door te liegen en een nieuwe godsdienst te stichten. Ze werden geconfronteerd met moeilijkheden, spot, vijandigheid, en de marteldood. In het licht hiervan hadden ze nooit zo onwankelbaar gemotiveerd kunnen blijven als ze wisten dat hun prediking een leugen was. De discipelen waren geen dwazen en Paulus was een koelbloedige intellectueel van de bovenste plank. Er waren in hun dertig- of veertigjarige bediening verschillende gelegenheden om terug te komen op de leugen en hem af te zweren. Godsdienst had voor hen zijn voordelen, maar die voordelen rustten op de oprechte overtuiging dat hetgeen waarvoor zij leefden, waar was. (Moreland, SSC, 171-172)
John Ankerberg en John Weldon over de geboorte van de kerk:
Had de christelijke kerk ooit kunnen ontstaan uit dat wat, na Christus’ kruisiging en dood, was geworden tot een groepje ontmoedigde, bange, twijfelachtige apostelen? Onmogelijk.
Alleen de opstanding van Christus uit de doden kan verklaren waarom de discipelen er toe kwamen hun leven te geven voor de prediking van Christus en de opbouw van de christelijke kerk die door de Heer gesticht was. We kunnen nauwelijks overschatten hoe vernietigend de kruisiging was voor de apostelen. Ze hadden alles opgeofferd voor Jezus, inclusief hun werk, hun thuis, en hun gezin (Matteüs 19:27). Alles van waarde was vastgepind op Jezus: al hun hoop, hun hele leven, alles. Maar nu was Hij dood, in het openbaar gebrandmerkt als een misdadiger.
De apostelen waren terneergeslagen en gedeprimeerd in hun conclusie dat Christus niet hun verwachte Messias was (Lucas 24:21). In een dergelijke toestand waren zij onmogelijk op te vatten als een subject van hoopvolle hallucinaties. Dit waren geen mannen die klaar waren om te geloven. Het feit dat Jezus hen berispte wegens hun ongeloof is het duidelijkste teken dat Tomas niet de enige onaandoenlijke scepticus was. Jezus berispte alle elf de apostelen wel op een of ander moment vanwege hun ongeloof in zijn opstanding (Matteüs 28:17; Lucas 24:25-27, 38, 41; Johannes 20:24-27). Dit bewijst dat ze uiteindelijk tegen hun wil overtuigd werden. Zoals de evangeliën aantonen, verwierpen ze de eerste verslagen over Jezus’ opstanding. Pas nadat Jezus telkens weer aan hen verschenen was, met hen gesproken had, hen had aangespoord om Hem aan te raken, te zien dat Hij een fysiek lichaam had, hun de wonden in zijn handen en zijn zijde had laten zien, raakten ze overtuigd (Johannes 29:20, 27). Als ze een opstanding bevroed hadden, zouden ze erop gewacht hebben. Maar dat deden ze niet, en er was heel wat nodig om hen te overtuigen toen het inderdaad gebeurde (Handelingen 1:3). (Ankerberg, RWA, 82)



