2C. De grafdoeken

In het volgende verhaal wijst Johannes op het belang van de grafdoeken als bewijs voor de opstanding:

“Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf. Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken, en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold op een andere plek. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan” (Johannes 20:3-9).

In een commentaar op Johannes’ verhaal zegt J. N. D. Anderson over het lege graf:

Het lijkt niet echt leeg geweest te zijn. Je herinnert je het verhaal in het Johannesevangelie over hoe Maria Magdalena zich naar de discipelen haastte en hoe Petrus en Johannes naar het graf gingen. Johannes, de jongste, liep sneller dan Petrus en kwam het eerst bij het graf. Hij boog zich voorover, “gluurde” naar binnen (wat volgens mij de letterlijke betekenis van het Grieks is), en zag de linnen doeken en de doek die om het hoofd gezeten had. Vervolgens arriveerde Simon Petrus, die, kenmerkend, direct naar binnen stommelde, gevolgd door Johannes. Ze zagen de linnen doeken, en de gezichtsdoek, die niet bij de linnen doeken lag maar apart opgerold ergens anders. Het Grieks lijkt hier te suggereren dat de linnen doeken niet door het graf verspreid lagen, maar op de plek waar het lichaam had gelegen, en dat er een lege plek was waar Christus’ hals zich bevonden had – en dat de doek die om zijn hoofd gezeten had niet bij de linnen doeken lag maar apart opgerold op zijn eigen plek, wat naar mijn veronderstelling betekent dat hij nog steeds gewikkeld was, alsof het lichaam zichzelf er eenvoudigweg uit had teruggetrokken. We krijgen te horen dat Johannes, toen hij dat zag, geen verder getuigenis van mens of engel nodig had: hij zag en geloofde, en zijn getuigenis is aan ons overgeleverd. (Anderson, RJC, 7-8)

E. H. Day zegt over Johannes’ verhaal:

Het wordt van het begin tot het eind gekenmerkt door de persoonlijke noot, het vertoont alle tekenen van het bewijs van niet slechts een ooggetuige, maar een nauwlettende observeerder.….Het hardlopen van de discipelen, de volgorde van hun aankomst bij het graf en hun entree, het feit dat Johannes eerst vooroverboog en door de lage ingang de linnen doeken zag liggen, terwijl Petrus, moediger, als eerste naar binnen ging; het exacte woord, …[theorei], dat gebruikt wordt voor Petrus’ nauwkeurige bestudering (misschien impliceert het zelfs zijn onderzoek) van de grafdoeken; de omschrijving van de plaatsing van de linnen doeken en de hoofddoek, een omschrijving die niet geforceerd, maar uiterst zorgvuldig is in haar woordkeus; de daarop volgende entree van Johannes en de overtuiging die volgde op het zien van de grafdoeken – dit kan ongetwijfeld niets anders zijn dan de omschrijving van iemand die werkelijk zag, in wiens herinnering deze scène als gegrift is, voor wie het beeld van het lege graf en de achtergelaten grafdoeken een keerpunt in zijn geloof en zijn leven vormden. (Day, ER, 16-17)

Latham schrijft over de doek die Jezus’ hoofd bedekt had:

De woorden “niet bij de andere doeken lag” hebben mij iets te zeggen; … ze vertellen me indirect dat de linnen doeken allemaal op één plek lagen. Als ze, zoals ik me voorstel, allemaal op het lage gedeelte van de richel lagen, is de uitdrukking volkomen duidelijk; maar als de linnen doeken verspeid gelegen hadden, één hier, één daar, alsof ze haastig terzijde geworpen waren, was het zinloos geweest om te zeggen dat de hoofddoek “niet bij de andere doeken lag”, want dan was “bij de andere doeken” geen specifieke plaatsaanduiding geweest. Alweer valt ons het gebruik van het woord “liggen” op, waar dat niet absoluut noodzakelijk is. De doek lag niet plat, zoals de linnen doeken, en Johannes, waarschijnlijk, merkt het verschil op. (Latham, RM, 44)

Latham vervolgt: “De hoofddoek, die opgerold was om de bovenkant van het hoofd, zou op … [het] verhoogde stuk steen blijven liggen. Daar zou hij “apart opgerold op een andere plek” liggen.” (Latham, RM, 36)

Latham zegt: “Het woord ’opgerold’ is dubbelzinnig, ik veronderstel dat de gedraaide zakdoek een ring vormde zoals de rol van een losgemaakte tulband, zonder het middenstuk.” (Latham, RM, 36)

Hij sluit af met:

Daar liggen de doeken – ze zijn een beetje samengevallen, maar nog steeds om elkaar gevouwen, en geen stukje van de specerijen is van zijn plaats geraakt. Ook de hoofddoek ligt er, op de kleine verhoging die dient als hoofdkussen voor het lijk; hij is in de vorm van een soort pruik gedraaid, en ligt apart van de rest. Dit serene toneel lijkt iets te zeggen te hebben. Het sprak tot degenen die het zagen, en het spreekt tot mij wanneer ik me de situatie voor de geest probeer te halen, met het morgenlicht dat door de opening naar binnen stroomt.

Wat het zegt, is, denk ik, dit: “Alles wat Jezus van Nazaret was, heeft een verandering ondergaan en is verdwenen. Wij – grafdoeken en kruiden en hoofddoek – horen bij de aarde en blijven.” (Latham, RM, 11)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate