1D. het belang van de verschijningen
C. S. Lewis schrijft over het belang van Christus’ verschijningen na zijn opstanding: “Het belangrijkste feit in de geschiedenis van het christendom is een groep mensen die zegt getuige te zijn geweest van de opstanding. Als ze overleden waren zonder anderen in dit ‘evangelie’ te laten geloven, zou er nooit één evangelie geschreven zijn.” (Lewis, M, 149)
J. P. Moreland over de verslagen van Jezus’ verschijningen: “En ten slotte, over de verschijningen na de opstanding wordt met uiterste terughoudendheid gerapporteerd. Als men ze vergelijkt met de verslagen in de apocriefe evangeliën (vanaf de tweede eeuw), is het verschil opzienbarend. De Apocriefen geven gedetailleerde verklaringen over hoe de opstanding plaatsvond. Ze vermelden overdreven details. Zo vertelt het Evangelie van Petrus (midden van de tweede eeuw) dat er achter Jezus aan een kruis uit het graf komt, en dat Jezus zo groot is dat Hij boven de wolken uitsteekt.” (Moreland, SSC, 175)
William Lane Craig over de feitelijke aard van de verschijningen: “Aangezien de apostelen de bewakers van de Jezustraditie waren en leiding gaven aan de christelijke gemeenschap, zouden gefingeerde verschijningsverhalen die niet overeenkwamen met hun eigen ervaring tijdens hun leven moeilijk ingang vinden. Er waren misschien verschillen in ondergeschikte details en de theologie van de evangelisten kan van invloed zijn geweest op de overleveringen, maar de basisoverlevering kan onmogelijk legendarisch zijn. De hoofdzakelijk onhistorische verhalen over Jezus deden pas opgang in de tweede eeuw, en zelfs toen werden ze door de hele kerk verworpen.” (Craig, DJRD, zoals geciteerd in Wilkins, JUF, 155)
J. N. D. Anderson schrijft over het getuigenis van de verschijningen:
De meest drastische manier om het bewijs van tafel te vegen zou zijn te zeggen dat deze verhalen niets meer dan verzinsels waren, pure leugens. Maar voor zover ik weet zou vandaag de dag geen enkele criticus voor deze insteek kiezen. Het zou ook werkelijk een onmogelijke positie zijn. Neem het aantal getuigen, meer dan 500. Neem het karakter van de getuigen, mannen en vrouwen die de wereld voorzagen van het meest hoogstaande ethische onderwijs ooit, en die dat, zelfs getuige hun vijanden, in hun leven ook in praktijk brachten. Neem de psychologische absurditeit van het idee dat een klein groepje verslagen lafaards dat de ene dag angstig in elkaar gedoken in een bovenzaal zit, een paar dagen later getransformeerd is tot een gezelschap dat door geen vervolging tot zwijgen valt te brengen – en schrijf die dramatische verandering dan toe aan niets overtuigenders dan een zielig verzinsel dat ze de wereld proberen aan te smeren. Dat snijdt gewoon geen hout. (Anderson, RJC, 5-6)
John Warwick Montgomery merkt op:
Merk op dat de discipelen van Jezus de opstanding verkondigden als ooggetuigen, en dat ze dat deden terwijl de mensen die deelgenoot geweest waren van de gebeurtenissen waarover ze spraken, nog in leven waren. In 56 n. Chr. schreef Paulus dat meer dan 500 mensen de opgestane Jezus gezien hadden en dat de meesten van hen nog leefden (1Korintiërs 15:6 vv.). Het overschrijdt de grenzen van de geloofwaardigheid dat de eerste christenen een dergelijk verhaal konden verzinnen om het vervolgens te prediken aan degenen die het zonder moeite hadden kunnen ontzenuwen door het lichaam van Jezus te laten zien. (Montgomery, HC, 78)
Bernard Ramm schrijft: “Als er geen opstanding was zullen radicale critici moeten toegeven dat Paulus de apostelen misleidde met zijn verhaal dat Christus werkelijk aan hem verschenen was en dat zij op hun beurt Paulus misleidden over hoe de opgestane Christus aan hen verschenen was. Hoe moeilijk aanvechtbaar zijn de bewijzen van de brieven op dit punt, wanneer ze zo sterk als authentiek bevestigd worden!” (Ramm, PCE, 203)
De verschijningen van Christus aan verschillende personen:
- Aan Maria van Magdala: Marcus 16:9; Johannes 20:14
- Aan vrouwen die terugkeerden van het graf: Matteüs 28:9, 10
- Aan Petrus, later die dag: Lucas 24:34; 1Korintiërs 15:5
- Aan de Emmaüsgangers: Lucas 24:13-33
- Aan de apostelen zonder Tomas: Lucas 24:36-43; Johannes 20:19-24
- Aan de apostelen met Tomas: Johannes 20: 26-29
- Aan de zeven bij het Meer van Tiberias: Johannes 21:1-23
- Aan een menigte van meer dan 500 gelovigen op een berg in Galilea: 1Korintiërs 15:6
- Aan Jakobus: 1Korintiërs 15:7
- Aan de elf: Matteüs 28:16-20; Marcus 16:14-20; Lucas 24:33-52; Handelingen 1:3-12
- Bij de hemelvaart: Handelingen 1:3-12
- Aan Paulus: Handelingen 9:3-6; 1Korintiërs 15:8
- Aan Stefanus: Handelingen 7:55
- Aan Paulus in de tempel: Handelingen 22:17-21; 23:11
- Aan Johannes op Patmos: Openbaring 1:10-19
J. P. Moreland over de aard van Jezus’ opstandingslichaam: “Ten eerste zijn de evangelisten en Paulus het er over eens dat Jezus in lichamelijke toestand aan hen verscheen. Toegegeven, Jezus had nu een geestelijk lichaam dat niet helemaal hetzelfde was als zijn aardse lichaam. Maar Jezus had nog steeds een geestelijk lichaam, en noch Paulus, noch de evangelieschrijvers dachten aan een puur geestelijk wezen dat alleen in de geest gezien kan worden. Dit lichaam was zichtbaar en tastbaar, en was een vervolg op het lichaam dat in het graf gelegd was. De opgestane Christus kon eten (zie Lucas 24:41-43).” (Moreland, SSC, 82)
William Lane Craig over de aard van het opstandingslichaam:
Maar hoewel Paulus inderdaad leert dat ons opstandingslichaam gevormd zal zijn naar het voorbeeld van Jezus’ lichaam en dat het geestelijk zal zijn, volgt daaruit niet dat dit lichaam niet fysiek zal zijn. Een dergelijke interpretatie wordt niet ondersteund door een exegese van Paulus’ onderwijs. Als men onder soma pneumatikon (“geestelijk lichaam”) een lichaam verstaat dat onstoffelijk is, zonder extensie, dan is het onwaar om te zeggen dat Paulus leerde dat wij een dergelijk opstandingslichaam zullen hebben. Nieuwtestamentische commentatoren zijn het er over eens dat pneumatikos “geestelijk” betekent in de zin van gerichtheid, niet van substantie (vgl. 1Korintiërs 2:15; 10:4). De transformatie van het aardse lichaam naar een soma pneumatikon verlost het derhalve niet van stoffelijkheid, maar van sterfelijkheid.
Een soma “lichaam” zonder extensie, zonder stoffelijkheid, zou voor de apostel een contradictio in terminis zijn. Het opstandingslichaam zal een onsterfelijk, krachtig, glorieus, door de Geest geleid lichaam zijn, geschikt voor het leven in een vernieuwde schepping. Alle uitleggers zijn het erover eens dat Paulus niet de onsterfelijkheid van alleen de ziel leerde; maar tenzij hij doelde op de tastbare, fysieke opstanding zou zijn spreken over de opstanding van het lichaam zijn inhoud verliezen en niet van deze leer te onderscheiden zijn. Het exegetische bewijs geeft dus geen gronden voor een scheiding tussen Paulus en de evangelisten met betrekking tot de aard van het opstandingslichaam. (Craig, DJRD, zoals geciteerd in Wilkins, JUF, 157)



