1D. Ze zwegen
In Handelingen 2 geeft Lucas Petrus’ toespraak op de Pinksterdag weer. De Joden weerlegden de onverschrokken proclamatie van Jezus’ opstanding niet. Waarom niet? Omdat het bewijs van het lege graf, voor iedereen die het wilde ontkennen, na te trekken was. Maar iedereen wist dat het graf het lichaam van Jezus niet meer bevatte.
In Handelingen 25 zien we Paulus die gevangen zit in Caesarea. Festus “opende […] de rechtszitting en gaf bevel om Paulus voor te leiden. Toen Paulus verscheen, gingen de Joden uit Jeruzalem om hem heen staan en brachten allerlei zware beschuldigingen tegen hem in, die ze niet konden bewijzen” (v. 6,7). Wat maakte Paulus’ evangelie zo aanstootgevend voor de Joden? Waarover zwegen ze volkomen in hun beschuldigingen? Als Festus de zaak aan koning Agrippa uitlegt omschrijft hij het centrale punt als: “een zekere Jezus, die dood is, maar van wie Paulus beweert dat Hij leeft” (Handelingen 25:19). De Joden konden het lege graf niet verklaren.
Ze lanceerden allerlei persoonlijke aanvallen op Paulus, maar ontweken het objectieve bewijs voor de opstanding. Het enige wat hun overbleef was het roepen van scheldwoorden en om het stille getuigenis van het lege graf heen praten.
Het zwijgen van de Joden spreekt luider dan de stem van de christenen, of, zoals Fairbairn opmerkt: “Het zwijgen van de Joden is net zo veelzeggend als het spreken van de christenen.” (Fairbairn, SLC, 357)
Professor Day zegt: “De simpele weerlegging, de doeltreffende aanvechting van het feit van de opstanding zou de genadeslag voor het christendom geweest zijn. En er was alle gelegenheid voor een weerlegging, ware die mogelijk geweest.” (Day, ER, 33-35)
W. Pannenberg stelt: “De vroege Joodse polemiek tegen de christelijke boodschap van Jezus’ opstanding, waarvan al sporen te vinden zijn in de evangeliën, suggereert niet in het minst dat Jezus’ graf onaangeroerd was. De Joodse polemiek zou alle belang gehad hebben bij het continueren van een dergelijk verhaal. Maar ze deelde juist met haar christelijke opponenten de overtuiging dat Jezus’ graf leeg was. Ze beperkte zich ertoe dit feit op haar eigen wijze te verklaren.” (Pannenberg, zoals geciteerd in Anderson, CWH, 96)
De kerk werd gegrondvest op de opstanding, en de weerlegging daarvan zou een einde gemaakt hebben aan de hele christelijke beweging. Maar in plaats van weerlegd, werden de christenen heel de eerste eeuw bedreigd, geslagen, gegeseld en gedood vanwege hun geloof. Het was veel simpeler geweest hen het zwijgen op te leggen door op de proppen te komen met Jezus’ lichaam, maar dit is nooit gebeurd.
Zoals John R. W. Stott het mooi gezegd heeft is het zwijgen van Christus’ vijanden “een even welsprekend bewijs van de opstanding als het getuigenis van de apostelen.” (Stott, BC, 51)
2D. Ze spotten
1E. In Athene
Toen Paulus tegen de Atheners over Christus sprak hadden ze geen antwoord op zijn woorden: “Toen ze hoorden van een opstanding van de doden dreven sommigen daar de spot mee” (Handelingen 17:32). Ze lachten er alleen maar om, omdat ze niet konden begrijpen hoe een man kon opstaan uit de dood. Ze probeerden hun eigen positie niet eens te verdedigen. Feitelijk zeiden ze: “Breng me niet in verwarring met de feiten, ik heb mijn standpunt al ingenomen.”
Waarom stuitte Paulus wel in Griekenland op dergelijk ongeloof, maar niet in Jeruzalem? Omdat terwijl in Jeruzalem het feit van het lege graf onbetwistbaar was (de mensen konden het zo nagaan), het bewijs in Athene ver weg was, zodat het leeg-zijn van het graf niet algemeen bekend was. Paulus’ toehoorders waren het verhaal niet voor zichzelf nagegaan, en ze stelden zich er tevreden mee om, in plaats van een onderzoek in te stellen, te schimpen in onwetendheid. Hun positie valt het best te omschrijven als intellectuele zelfmoord.
2E. Voor Agrippa en Festus in Caesarea
Paulus vertelde Agrippa en iedereen aan het hof dat “de Messias zou lijden en sterven en dat Hij als eerste van de doden zou opstaan om aan zijn eigen volk en aan de heidenen het licht te verkondigen” (Handelingen 26:23). En terwijl Paulus dit tot zijn verdediging aanvoerde, riep Festus:
“U slaat wartaal uit, Paulus! Het vele studeren drijft u tot waanzin!” Maar Paulus zei: “Het is geen wartaal, excellentie. Integendeel, wat ik zeg is waar en getuigt van gezond verstand. Bovendien weet de koning waarover het gaat, en daarom kan ik vrijuit tegen hem spreken. Ik denk niet dat iets hiervan hem is ontgaan, het heeft zich immers niet in een uithoek afgespeeld. Koning Agrippa, hecht u geloof aan de woorden van de profeten? Ik ben ervan overtuigd dat u dat doet.” Agrippa zei tegen Paulus: “Dadelijk krijgt u me nog zover dat ik me voor christen uitgeef” (Handelingen 26:24-28).
Opnieuw, net als in Athene, stuitte Paulus op ongeloof. Zijn boodschap was dat Christus uit de dood was opgestaan (Handelingen 26:23), en opnieuw werd er geen tegenbewijs aangevoerd. Er kwam slechts loze spot van Festus. Paulus’ verdediging was “nuchtere waarheid” (NBG).
Paulus benadrukte het empirische karakter van zijn zaak met de woorden: “Het heeft zich immers niet in een uithoek afgespeeld” (Handelingen 26:26). Hij daagde Agrippa en Festus uit met de bewijzen, maar net als de Atheners lachte Festus ze weg. Dit incident vond plaats in Caesarea, waar niet aan iedereen bekend zal zijn geweest dat het graf leeg was. Een tochtje naar Jeruzalem zou het feit hebben bevestigd.



